Boete doen (2009)

Boete doen

Overweging bij een gedeelte over boete doen uit de eerste regel van Franciscus van Assisi en Matteüs 7, 1-5

Van de heilige Franciscus wordt gezegd dat hij een opgewekte natuur had. We hebben daar ook de uitdrukking "een vrolijke Frans" van overgehouden. Lichtvoetigheid is ook een kenmerk van de franciscaanse spiritualiteit. Ik voel me persoonlijk erg aangetrokken tot die spiritualiteit, misschien ook omdat ik van nature gauw in mijn hoofd zit en van alles wil begrijpen. En veel is niet te begrijpen. Je zou van alle gepieker en gepeins een heel zwaar hoofd kunnen krijgen. En dan is het goed om de kracht van het denken wat te leren relativeren, om met de beide benen op de grond te komen, om te aarden en op de aarde wat meer lichtvoetigheid te leren. Nou wil het geval dat diezelfde lichtvoetige Franciscus van Assisi ook een fanatieke boeteling was. Mensen in deze tijd vinden veel dingen goed aan Franciscus, maar niet zijn strenge boetepraktijk, met heel veel vasten. Franciscus werd door zijn tijdgenoten daarop al terechtgewezen. Ze vonden dat hij slecht zorgde voor zijn lichaam, voor wat Franciscus zelf zijn "broeder ezel noemde". Hij zorgde als boeteling slecht voor zijn lichaam. Daarin sloeg hij echt door. Toch zie ik niet per se een tegenstelling tussen lichtvoetigheid en boete doen.

Als eerste lezing hoorde u een hoofdstuk uit de eerste regel die Franciscus voor zijn broeders schreef. Het is een middeleeuwse tekst, met zoals u in het boekje kunt zien, heel veel Bijbelcitaten. Je kunt zo'n tekst op verschillende manieren ervaren. Ik beleef dat tenminste zelf zo. Als je de tekst leest met een zwaar hoofd, dan komt Franciscus hier bepaald niet lichtvoetig over. Want dan gaat de tekst niet alleen over boete, maar ook over dat we spoedig zullen sterven, en dat je in het vuur van de hel komt als je je zonden niet belijdt. Kortom kommer en kwel. Maar je kunt dezelfde tekst ook anders lezen. Meer in de lijn van de franciscaanse spiritualiteit. Dan blijft de tekst over boete en sterfelijkheid gaan, maar wordt de warme aardse bedding duidelijk, waarin de boete en het vasten staat. Voor Franciscus is de primaire geloofshouding die van dankbaarheid en lofprijzing. Alles wat er is wordt ons door God, onze schepper en Vader, gegeven. En als wij iets goeds doen, dan is het de Geest van God, een geest van liefde, die dat in ons bewerkt. En er is verschrikkelijk veel goeds wat door mensen tot stand wordt gebracht. Omdat God groot is. Omdat er door de Schepper in alle mensen een verlangen is gelegd om God te zoeken en God te danken en te aanbidden.

Franciscus ziet boete doen als een belangrijk middel om dat verlangen juist weer vrij te maken. Een mens kan zich verbeelden heel wat te zijn. "Kijk mij eens!" Of een mens kan zich verbeelden helemaal niets voor te stellen. "Ik ben niets". Franciscus roept beiden op tot boete en bekering. Die woorden betekenen eigenlijk hetzelfde. Ze gaan ook terug op hetzelfde woord: het hebreeuwse tesjuba, wat omkering betekent. In het Grieks van het Nieuwe Testament werd dat Hebreeuwse woord tesjuba vertaald met metanoia, wat verandering van gezindheid, van geesteshouding betekent. En in de latere Latijnse vertaling werd het penitentie. Dat laatste woord heeft bij ons de negatieve lading van straf, van boete gekregen. Boete heeft dan te maken met dat wij zulke slechte mensen zijn, die tuchtiging en straf verdienen om ons in het gareel te houden. Die negatieve houding was niet Jezus' bedoeling. Als hij spreekt van bekering, van metanoia, dan bedoelde hij wel afkeer van het kwade maar net zo goed toewijding, je toekeren naar het goede, de goede weg inslaan. We spreken in onze taal ook over het boeten van visnetten. Dat heeft diezelfde twee kanten: opsporen waar de gaten vallen, en ze metterdaad proberen te herstellen.

Boete doenHet net van je leven boeten is: eerlijk nagaan hoe je net er aan toe is. Eerlijke zelfkritiek. Niet alleen de splinter in het oog van de ander zien, maar ook de balk in je eigen oog, zoals Matteüs zegt. Niet voor jezelf weglopen. Niet jezelf de grond in praten. Maar met aandacht en toewijding de gaten in je net opsporen en proberen te repareren. En liefst niet in je eentje, zoals we ook op het plaatje zien. Wij zitten hier ook niet op ons eentje. We zijn samen gekomen om in verbondenheid met elkaar en met God het net van ons leven te boeten en God om vergeving te vragen. Want dan kunnen we zonder façade en zonder schaamte toeleven naar Pasen. Pasen als het feest van het nieuwe begin, het feest van de verlossing, het feest van de overwinning van het goede over het kwaad.