Allerheiligen (2009)

Inleiding

Het feest van Allerheiligen is begonnen in Rome, en werd gevierd bij de herdenking van de inwijding van het toenmalige Pantheon. De naam Pantheon betekent: 'alle goden'. Het was de plaats waar in de Romeinse tijd alle goden werden vereerd, en later eerden de christenen er alle heiligen, alle martelaren, Maria. De geestelijke raadslieden van Karel de Grote en Lodewijk de Vrome, die leefden in de achtste en negende eeuw, herdachten de hemelbewoners jaarlijks allemaal samen in één plechtigheid. Deze herdenking werd gesteld op 1 november, het begin van de winterperiode, en is als zodanig een tegenhanger van het Paasfeest. Dit feest is vooral door de kloosters die de regel van sint Benedictus volgden, verbreid.
Heiligen zijn Paasmensen, mensen in wie de verrijzeniskracht van Jezus is doorgebroken, heeft gezegevierd. Bij het herfst-pasen gebeurt precies hetzelfde als bij het lente-pasen: verrijzenis. De heiligen zijn afgestorven aan eigen kracht en, evenals Jezus, opgewekt door Gods kracht. Ook wij zijn heiligen, heilige zondaars, heiligen in wording; daarom moeten we onze schuld bekennen, dat wij ons juist vastklampen aan eigen kracht en zo God geen kans geven zijn verrijzeniskracht in ons te manifesteren.

Homilie

Jezus ging de berg op. Daarmee wil Hij aanschouwelijk maken wat onaanschouwelijk is, zichtbaar maken wat verborgen is. Het is een openbaring van de binnenkant van zijn wezen. "Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op." Hij ging de berg van God op. Hij ging naar God, zoals Mozes de Sinaï beklom, de berg van God. Dat is zelfs de naam van die berg.

Nu doet Jezus, de nieuwe Mozes, hetzelfde, Hij gaat de berg op om de nieuwe wet af te kondigen. Hij doet dat vanaf de berg, de heilige plaats, de plaats van de Godsontmoeting. Als Mozes afdaalt van de berg is hij vol van de heerlijkheid van God, die hij boven op de berg had aanschouwd. Nadat hij veertig dagen en veertig nachten had verbleven in de heerlijkheid van God straalde ook zijn gelaat van die heerlijkheid. Aan iemand die een lange retraite heeft meegemaakt, kan dat soms ook gebeuren, dat hij een beetje begint te stralen.
Als Mozes de wet van God bekend maakt, is het eerste gebod merkwaardigerwijze niet wat we moeten doen of laten, maar dat eerste gebod gaat het over de Wetgever zelf, of liever gezegd: het gaat niet óver Hem, nee, Hij presenteert Zichzelf: "Ik ben de Heer, uw God", en dan volgt pas: "Naast Mij zult gij geen andere goden hebben" (Dt 5,6-7).

Zo is het ook in de nieuwe wet. Het eerste woord is: "Zalig." Met dit zalig wordt Godzalig bedoeld, dat houdt in dat je verzadigd bent van goddelijk geluk. Je bent helemaal vervuld van God. God is in je. Wanneer ben je dan zalig, wanneer ben je helemaal van God vervuld? Wanneer je grote daden verricht, wetten onderhoudt, prestaties levert, staaltjes van ascese verricht? Nee, niet door iets te doen, door iets te presteren, ben je helemaal van God vervuld, maar door iets te zijn. Of beter gezegd: door niets te zijn, arm te zijn, zachtmoedig, door af te zien van geweld, barmhartig te zíjn, zuiver. En dat niet alleen in je daden, in een vlekkeloos leven, zodat er niets op je aan te merken is, maar in je hart.

"Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien." Niet door iets te presteren, maar juist door níet te presteren. Niet door iets te hebben, maar door niets te hebben, door uiterlijke armoede, maar vooral door innerlijke armoede na te streven, de armoede van geest. Door in je geest te zijn wat een arme in de maatschappij is. Altijd een gevoel van tekort, van ontberen, voortdurend geconfronteerd worden met je eigen grenzen, daarbij druk ondervinden. En dit als een zijnstoestand, als een zijnswijze, dat betekent: je draagt het overal met je mee, het verlaat je nooit. En daar dan ook vrede mee hebben, dat willen, niets anders willen dan arm van geest zijn. Dán ben je vervuld van God.

"Zalig de treurenden." Dat zijn mensen die verstoken zijn van aards geluk, die het geluk en de vreugde niet kunnen vinden in de dingen van deze wereld, overal de broosheid, de vaalheid ervan zien, proeven, smaken en dat niet als een opwelling, een gevoel dat opkomt en weer verdwijnt, maar als een toestand, als een zijnswijze. Je kunt niet anders. Zo ben je. Zoals sint Jan de mensen van God beschrijft tegenover de mensen van de wereld: "We worden kinderen van God genoemd, en we zijn het ook. De wereld begrijpt ons niet en ze kent ons niet, omdat ze Hem niet heeft erkend."
Al die armzaligheden, die ongelukstoestanden, die toestanden die niet van deze wereld zijn, worden samengevat in die ene situatie van vervolging, van verdrukking waarvan de Apokalyps zegt: "Wie zijn dat in die witte gewaden en waar komen zij vandaan? Ik antwoordde Hem: Heer, dat weet Gij. Toen zei Hij: Dat zijn degenen die komen uit de grote verdrukking, die hun gewaden hebben wit gewassen in het Bloed van het Lam."

Er is niets zo zuiverend als een situatie van vervolging. "Wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil." Zo'n situatie. Dat kan in het openbaar gebeuren, in openbare vervolgingen, maar het kan evengoed, of zelfs nog veel meer gebeuren in het gewone leven. Mensen worden in vervolgingen losgemaakt van zichzelf, zij worden echt arm van geest, zuiver van hart, een en al vrede en zij brengen die vrede waar zij ook gaan of staan en in alles wat zij ook zeggen. Je wordt dus niet arm van geest, zuiver van hart door te handelen, door iets te doen, werken van activiteit, maar door te zíjn. En niet door iets te zijn, maar door niets te zijn uit jezelf. Dan pas kan God zijn wie Hij is: er voor jóu zijn. Dat is dan ook zijn Naam!

Niet door iets te doen, door ons opnieuw te bevrijden uit de greep van onze vijanden, onze honger te stillen, noemt u maar op, maar door niets te zijn en niets te doen zullen wij Hem zien zoals Hij is. Als wij niets willen doen en niets willen zijn, zijn wij gelijk aan Hem. Hij kan ons met geluk vervullen niet door iets aan ons te doen, maar door gewoon te zijn wat Hij is: de Bron van alle geluk. Dat wil zeggen: Hij zal je Vader zijn, en wij zijn kinderen. "We worden kinderen van God genoemd en we zijn het ook."

Dat is niet zo maar een titel. "Nu reeds zijn we kinderen van God." Dat wil zeggen: nu reeds zijn we zalig, nu reeds zijn we heilig. Díe verborgen werkelijkheid die heel diep in ons hart verscholen ligt, dat is de openbaring van vandaag. Dat wat de heiligen in de hemel, die wij op het feest van Allerheiligen vieren, in volle bloei zijn, dat zijn wij in het begin, in de dop.
Wij zijn dat zaad dat al in ons hart is gelegd, nu reeds, en in de eucharistie mogen wij die omvorming van onszelf opnieuw meemaken, opnieuw aan onszelf laten geschieden. Van zondaars die we zijn, van ikzoekers, van zelfzuchtige mensen mogen we worden omgevormd tot God-mensen, tot God-zaligen, tot kinderen van God met dezelfde Geest van Jezus, die heeft gezegd: "Leert van Mij, Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mt 11,29). 'Dat ben Ik door en door. Je kunt Mij niet in een situatie brengen waarin Ik anders zou reageren dan zachtmoedig en nederig.'