Nieuw en opnieuw

Misschien vraagt iemand zich af, na het horen van het evangelie: "waar is die man?"...
Ik denk niet dat we ons moeten ongerust maken. Overspel werd in de Joodse traditie zowel voor de man als voor de vrouw als zeer erg veroordeeld. Het verbod staat in de Joodse "grondwet": de tien geboden. Het overtreden was dus ook een aanslag op het Verbond tussen God en de mensen.
De straf volgens de wet van Mozes was navenant: de dood, voor beiden.

Het zou kunnen dat de evangelist alleen de vrouw op het toneel brengt, omdat dit herinnert aan andere teksten in het Oude Testament.
Bij de profeten wordt het volk van Israël, dat zich afkeert van Jahweh, naar de afgoden loopt, inderdaad God noch gebod erkent, vergeleken met een overspelige vrouw. Zij wordt een hoer, naar het voorbeeld van bepaalde heidense priesteressen.

Die teksten zijn soms erg sappig, bijbelfragmenten om met rode oortjes te lezen.
De vrouw in dit verhaal staat dan symbool voor elke zondaar die God de rug toekeert, niet met pekelzonden, maar met een verwerpelijk, immoreel gedrag. Het is geen bagatel, waarmee men Jezus lastigvalt.

Er werd trouwens binnen het Jodendom in die eerste eeuw na Christus over de bestraffing van overspel zwaar gediscussieerd. Traditioneel gebeurde dat door steniging, maar dat was niet vanzelfsprekend meer: de Romeinen waren er tegen.
Augustus had een wet uitgevaardigd, dat er bij overspel "alleen maar" boetes moesten betaald worden, of in ballingschap gegaan. Om toch de wet van Mozes te kunnen toepassen, stelden wetgeleerden voor om de doodstraf dan maar door wurging uit te voeren: dat kon beter verstopt worden voor het Romeinse gezag.

De evangelist geeft echter aan dat de vraag in feite niet bedoeld was om over stenen of wurgen te discussiëren. Die vrouw, dat zal voor de aanklagers wel een uitgemaakte zaak geweest zijn: "schuldig".
Maar men wil Jezus een hak zetten. Hij heeft regelmatig verkondigd dat God barmhartig is, hij eet met zondaars, zondaressen, tollenaars, hij verzet zich tegen de letterlijke toepassing van de wet van Mozes.
Ofwel verloochent hij nu zijn vroegere uitspraken, ofwel wordt hij ontmaskerd als een ketter, die zelfs de tien geboden op losse schroeven wil zetten.

Maar dan zet hij de aanklagers op het verkeerde been. Hij doet of ze lucht zijn, hij schrijft wat op de grond met zijn vinger, maar het is helemaal niet leesbaar, anders zouden we dat in dit verhaal wel horen.
Voor de lezers die hun Bijbel kenden, roept dit gebaar andere beelden op: God die de tien geboden schrijft op de rotsen, of de hand die in het verhaal van de profeet Daniel op de muur schrijft: geteld, gewogen, en te licht bevonden.
Of het kan herinneren aan teksten, waarin gezegd wordt dat zij die de Heer verlaten zijn als letters in het zand geschreven. Maar het indrukwekkendste, ook voor ons, die misschien zo bijbelvast niet meer zijn, is het gebaar, de stilte, waarin de aanklacht schijnt weg te waaien.

En dan, nadat ze hebben moeten aandringen, doet hij iets totaal onverwacht. Hij draait hij de wereld om: de aanklagers blijken schuldig te zijn. De schok is groot, want zij beseffen het. De oudsten eerst.
In deze stilte hoor ik een echo: "Vergeef ons onze schulden". Niemand is zonder zonden. In Jezus wordt duidelijk: God wil goed zijn voor ons allemaal, en wij hebben zijn vergevende goedheid allemaal nodig.
Als dan die vrouw en Jezus achterblijven, zegt hij niet "'t is allemaal zo erg niet." De boodschap is niet dat er geen kwaad zou bestaan. Integendeel. De afgedropen wetgeleerden, én de vrouw, en wij, zijn schuldig. De boodschap is, dat kwaad niet met kwaad overwonnen wordt. God behoudt zijn vertrouwen in elke mens.

Dat vertrouwen draagt Jezus uit: die vrouw is meer dan het kwaad dat ze begaan heeft. Veel meer: zij blijft een mens, geroepen en in staat tot een goed leven. God wil dat leven niet vernietigen, want dan wint het kwaad.
Als Jezus zegt: "Ook ik veroordeel u niet. Ga nu maar, en zondig voortaan niet meer", dan bestrijdt hij dat kwaad door goed te zijn, en door zijn vertrouwen dat het goede in deze vrouw de bovenhand zal krijgen. Wat Jezus hier doet, was "nieuw" in Jezus' tijd, en het is nieuw in onze tijd. Het gaat dwars in tegen de gevestigde opvattingen over schuld, straf, over "de goeden" en "de slechten".

Hier wordt zeer groot geloof gevraagd. Wij zullen hervallen, het kwaad is hardnekkig, telkens opnieuw zullen mensen andere mensen kwetsen en doden en het goede verpletteren.
Zo hebben ze ook Jezus willen verpletteren. In Jezus verschijnt ons een onvoorwaardelijk, onverwoestbaar, maar ook bovenmenselijk geloof: in geen enkele mens kan het goede helemaal kapot gaan.

Dat is bovenmenselijk, want het is het geloof van God in de mens. Als Jezus ons aanspreekt, als hij ons iets te zeggen heeft, horen wij, in die stilte van het schrijven op de grond: geef je over aan dat geloof. Ook als de misdaden schijnbaar onvergeeflijk zijn, ook als wij niet in staat zijn om in mensen, misdadigers, zondaars - of in onszelf - te blijven geloven.

Jan Van Kilsdonk, een Nederlandse Jezuïet die een paar jaar geleden overleed, heeft het zo samengevat: "Schuldige mensen zijn nooit te bekeren door ze te beschuldigen, alleen door ze te eerbiedigen".
Dat is onze opdracht van godswege: eerbiedig ieder mens, ook de misdadiger.
Dat betekent niet: vergeet het kwaad, maar wel: probeer dat goddelijke vertrouwen in ieder mens in praktijk te brengen, bestrijd kwaad met goed, met respect, met vertrouwen.