4e zondag van de veertigdagentijd C - 2013

Zusters en broeders,

Soms kunnen kinderen hun ouders wat aandoen, dat weten we. Dat kan al kort na de geboorte beginnen: ze willen niet slapen, ze willen niet eten, ze willen dit niet en ze willen dat niet. En als ze groter zijn, willen ze niet naar school of ze willen hun huiswerk niet maken, of ze willen niet leren. En als ze nog groter zijn, willen ze alleen nog uitgaan, of ze zitten aan de drugs, of ze drinken, of ze plegen geweld, zomaar, zonder aanleiding. Of ze stelen, ze sjacheren met andermans eigendom, of met dat van hun ouders. Ja, kinderen kunnen hun ouders soms wat aandoen. Waardoor ze dikwijls ook zichzelf wat aandoen: ze verknoeien hun toekomst, hun werk, hun leven. Spijtig genoeg lezen we bijna elke dag zulke dingen in de krant, of zien we ze op de televisie. 

En misschien denken we: dat is een gevolg van de tijd waarin we leven, want vroeger kwam dat niet voor. Maar als we dat denken, vergissen we ons grondig. Want welk verhaal vertelt Jezus in het evangelie van vandaag? Juist, ja, het verhaal van de zoon die niet wil deugen. Met andere woorden, ook tweeduizend jaar geleden, ook in de tijd van Jezus  en in de maatschappij van Jezus waren er kinderen die hun ouders, hun familie en zichzelf iets aandeden. Als dat niet zo was, zou Jezus immers nooit zo’n parabel verteld hebben, want zijn toehoorders zouden gezegd hebben: ‘Wat voor onzin is hij nu aan het vertellen!’ Maar ze reageren niet zo, dus kennen ze de problematiek, en luisteren ze vol aandacht. Want ze willen weten wat die vlegel van een zoon gaat uitspoken, en hoe de vader daarop gaat reageren. Gaat hij hem inderdaad een deel van de eigendom geven waarop hij geen recht heeft? En hoe gaat hij reageren als die onwaardige zoon terugkomt, zonder berouw, en puur uit eigenbelang? En wellicht zien ze in die vader de hemelse Vader, dus interesseert het hun zeker hoe Die volgens Jezus gaat reageren. En wat zien ze? Dat de hemelse Vader altijd wil vergeven, en dat Hij houdt van elke mens, ook al is die mens niet direct iemand om naar op te zien of naar uit te zien. Die houding wil Hij ook in de andere zoon herkennen. Die is helemaal niet blij met het feest dat gevierd wordt om de terugkomst van die ellendige broer, maar de vader zegt: ‘Die broer van jou … akkoord, die heeft niet goed gehandeld, maar geef hem ten minste een kans.’ 

‘Geef ten minste een kans’ … dat is wat ook Broederlijk Delen ons dit jaar vraagt. ‘Geef Molly een kans,’ vragen ze. Maar wie is Molly? Ze is een vrouw uit Noord-Oeganda, moeder van zes kinderen, en weduwe, want haar man is als soldaat gesneuveld in de strijd tegen het zogenaamde Verzetsleger van de Heer. Twintig jaar lang heeft die rebellengroep het gebied geteisterd, zogezegd omdat ze een staat wilden oprichten die gebaseerd was op de Bijbelse Tien geboden. In werkelijkheid brachten ze niets anders dan moord, diefstal, verkrachting, beroving, en ontvoering. Duizenden mensen werden vermoord, duizenden kinderen ontvoerd. De jongens moesten kindsoldaten worden, de meisjes seksslavinnen. Momenteel is de rust teruggekeerd, en zijn de meeste mensen naar hun dorpen teruggekeerd. Want heel velen hebben jaren in vluchtelingenkampen doorgebracht, en nu zijn ze terug. Hun hut is meestal niet meer te vinden, hun velden zijn totaal verkommerd, hun landbouwkennis is verwaterd, en geld om landbouwgereedschap, zaad en dieren te kopen hebben ze uiteraard niet. Zoals ze ook geen geld hebben om hun kinderen te kleden en naar school te laten gaan. 

Al die miserie wil Molly aanpakken en net als zoveel andere vrouwen wil ze opnieuw een waardig leven opbouwen. Ze is een weduwe, dus moet ze alleen instaan voor het huishouden en de landbouw. Ze doet alles wat ze kan om de akkers weer vruchtbaar te maken en de honger te bestrijden. Maar ze moet zowat alles opnieuw leren van de landbouw, en ze kan nauwelijks opbrengen wat absoluut nodig is. En dat is wat ze wil: voortbrengen wat nodig is, haar kinderen voldoende voedsel en goede kansen geven. Daarom zoekt en krijgt ze steun bij een plaatselijke vereniging die vorming geeft aan mensen zoals Molly, die betaalbare zaden en dieren bezorgt, die helpt, die vrede brengt. En wat doet Broederlijk Delen? Dat steunt precies zo een vereniging, en op die manier steunt het mensen in nood. 

‘Geef Molly een kans’, vraagt Broederlijk Delen. Zoals de vader tegen zijn  oudste zoon zei: ‘Geef je broer een kans!’ Zusters en broeders, we zijn christenen, dus proberen we te doen wat Jezus ons leert. Laten we er dus straks bij de omhaling niet aan twijfelen dat te doen: wat Jezus ons leert en wat Hij ons heeft voorgeleefd, en dat is mensen in nood helpen. Niet aarzelen, niet twijfelen, niet afbreken, maar helpen. Zoals Jezus dat deed. Amen.