Heilige grond C (2013)

Het evangelie begint vandaag met een verwijzing naar een nogal luguber tafereel.

Pilatus had het bloed van Galileeërs vermengd met bloed van offerdieren. Natuurlijk wordt dit druk besproken en becommentarieerd. Het roept weerzin op bij de mensen. Het is van een heel andere orde dan rundvlees gaan mengen met wat paardenvlees in diepvriesmaaltijden.

Waarschijnlijk is het zelfs een gruweldaad geweest van Pilatus, bedoeld om terreur te zaaien.

Het was immers zo dat in de Paastijd op het tempelplein in Jeruzalem heel wat lammeren werden geslacht. Bij dat gebeuren moet dan een opstand zijn uitgebarsten, die door Pilatus bloedig werd neergeslagen. Een aantal rebellen werd door de soldaten gedood en hun bloed werd dus vermengd met het bloed van offerdieren. Allicht wilde Pilatus daarmee het volk angst aanjagen en zo zijn macht verstevigen.

Terreur heet dat.

En onmiddellijk bijna rijst bij de Israëlieten de vraag wie schuld heeft aan het gebeuren. Waarom zijn juist deze mensen de slachtoffers van die gruweldaad? Wat hebben zij verkeerd gedaan? Waarvoor moesten zij gestraft worden? Jezus blokt die vragen meteen af. Zij hebben niet meer fout gedaan dan anderen, ze zijn niet meer zondaar dan jullie allen.

En laten we maar niet te meewarig of neerbuigend kijken naar de mensen uit die tijd. Ook wij zijn heel snel geneigd anderen met schuld of verantwoordelijkheid te overladen, als het misloopt in hun leven. Eigen schuld dikke bult, zeggen we dan. Ze hebben het zelf gezocht. Wie zijn gat verbrandt moet op de blaren zitten. Boontje komt om zijn loontje. Wie niet horen wil moet voelen.

Het zijn zinnetjes die we te pas, maar vaak ook te onpas gebruiken bij het opvoeden van kinderen, thuis en op school. En bij het beoordelen van anderen. Als iemand faalt, als een plan of een project mislukt, zal het wel hun eigen schuld zijn.

Jezus vertelt in dat verband een gelijkenis.

Over een vijgenboom die al drie jaar geen vruchten meer voortbrengt. En de eigenaar wil hem dan maar omhakken. Zijn geduld met die vijgenboom is op. Er moet maar een andere boom of plant in de plaats komen. Die boom heeft geen nut meer, brengt niets meer op, is economisch niet rendabel, heeft kansen genoeg gehad. Hak hem dan maar om.

We durven het ook doen met mensen. Het is niet meer zo wreed en meedogenloos als vroeger, toen leerlingen die lastig deden, meteen maar werden geschorst of van school gestuurd. Er is een probleem met een leerling, dus we verwijderen die leerling dan maar. Dat doen we niet zo gemakkelijk meer, maar toch horen we meer en meer de vraag naar repressief optreden.

Meer en meer wordt er gepleit om mensen maar snel en definitief uit de maatschappij te verwijderen. Om geen nieuwe kans meer te geven. Om geen gehoor te geven aan de overweging dat iedereen een tweede kans verdient.

Maar in de gelijkenis uit het evangelie dringt de wijngaardenier toch weer aan op een nieuwe kans. En het is niet eens meer de tweede kans waarvoor hij pleit. De vijgenboom brengt al drie jaar geen vruchten meer voort. Hij heeft dus al een paar keer een nieuwe kans gekregen.

En, laten we eerlijk zijn, steeds maar opnieuw nieuwe kansen geven, daar hebben wij het ook moeilijk mee. Er lopen af en toe processen, die uitgebreid aan bod komen in de media. En daar kunnen wij terecht de vraag stellen of de betrokkene daar echt nog wel een nieuwe kans verdient. Een kans die bijvoorbeeld zijn slachtoffers niet krijgen.

Het is in de realiteit niet zo gemakkelijk om evangelisch te blijven denken en handelen. Om in de taal van de gelijkenis te blijven: heeft die vijgenboom wel het recht om de grond van zijn heer te blijven uitputten? Zonder resultaat?

We kunnen dezelfde vraag stellen over de werkers van het elfde uur: hebben zij wel recht op een volledige dag loon? Heeft de verloren zoon recht op de vergeving van zijn vader en op het feest dat die voor hem wil geven? Heeft de overspelige vrouw recht op vergiffenis en nieuwe kansen?

En het gaat niet alleen daarom.

De wijngaardenier wil niet alleen de vijgenboom sparen. Hij wil ook de grond rond de boom opnieuw bewerken en bemesten. Hij wil de hak erin zetten. Hij wil niet alleen de boom aanpakken, maar ook de omgeving.

Wellicht moeten wij dat met mensen die problemen hebben of opleveren ook doen. Niet alleen de mens aanpakken en proberen te veranderen, maar ook de omgeving, de grond er omheen. Misschien zit daar het probleem. Breng de mensen in een ander milieu, geef ze nieuwe kansen in een nieuwe omgeving. Zoals in de televisiereeks rond de Bleekweide gebeurt.

Als we de grond degelijk bewerken, wordt het misschien ook heilige grond. En daarmee zitten we bij de eerste lezing van vandaag.

Waar Mozes in de woestijn de kudden van zijn schoonvader aan het hoeden is. De woestijn is een belangrijk Bijbels beeld dat hoort bij de vasten. De woestijn staat voor leegte en daar houden wij niet zo van. Wij zijn drukte gewoon en daden en actie. Leegte en stilte maken ons onwennig en onzeker. Dat bleek een paar dagen geleden nog eens toen een praatprogramma op televisie werd onderbroken voor liefst twee minuten stilte. Het deed op zijn minst vreemd aan.

Maar in de leegte en de stilte van de woestijn komt Mozes God tegen.

En God noemt zichzelf: ik ben die is.

Ik zal er zijn voor u.

Ik zal er zijn ook voor die onvruchtbare vijgenboom.

Ik zal er zijn ook voor die mens die dreigt uitgesloten te worden.

Misschien moeten we ook proberen zo vaak mogelijk die houding aan te nemen: ik zal er zijn voor u …