Hoe is uw naam, waar zijt gij te vinden?

Met welke vragen liep Mozes rond toen hij de kudde van zijn schoonvader hoedde? Hij is in een vreemd land en hoedt de schapen van een ander. Mozes had een zwaar verleden achter zich. Volgens de bijbel was hij het kind van een Joodse moeder. Hij mocht er niet zijn. Veroorzaakte die angst trauma’s bij het kind? Sigmond Freud zou op deze vraag kunnen antwoorden.

Mozes kreeg een vorming aan het Egyptische Hof en kwam er ongetwijfeld in contact met de Egyptische cultuur en religie. Hij ontdekt de noden van zijn stamgenoten en reageert heftig, zelfs met doodslag, als een Egyptenaar een Israëliet doodt. Hij vlucht in de woestijn. Hij huwt en wordt vader. Hij hoedt de kudde. Als een vreemdeling in de woestijn ziet hij een wonder verschijnsel. Het eerste dat Mozes doet, is zich verwonderen. “Mozes laat het gemak van de vlakte en de schaduw van zijn tent in de steek en begint aan de vermoeiende beklimming van de berg. Hij laat het kleinvee in de steek, alleen om daar te komen en te weten” (C. Martini, Het leven van Mozes, p. 29). Nieuwsgierig gaat hij kijken en daar overvalt hem een Godsopenbaring. “Iets” wekt zijn aandacht op en houdt hem in de ban. Zelfs daar waar ik me verlaten voel, is God. Nieuwsgierigheid loont. Maar ze stelt Mozes meteen voor een opgave.

Mozes hoort tweemaal zijn naam roepen. Een onbekende God? Ja en neen. Het is de God van zijn voorvaderen, de God die werkzaam was in het leven van de patriarchen. Mijn geloof en ongeloof zijn bepaald door wie me hebben opgevoed en onderwezen. Mozes ontmoet een gedreven God. God maakt zich bekend door wat hij doet. Daardoor is de Bijbelse God voorwerp van verhalen geworden (I. Verhack, Wat bedoelen wij als wij God zeggen? p.41).

De verre God raakt het hart van Mozes. Hij raakt hem in zijn eigen gedrevenheid, althans in deze van zijn jeugd toen hij zelf de miskenning van zijn volk had aangevoeld.

Bij het brandend braambos gaan transcendentie en immanentie samen. Verheven en nabij. Groot en niet verpletterend. De struik brandt niet op. Hij staat er nog altijd! Zo geloven het pelgrims en toeristen van het Catharinaklooster. God vernietigt onze persoonlijkheid niet wanneer Hij roept. Zijn roep doet ons groeien. Geloven in God, dit maakt de mens niet klein. God laat zich raken door de ellende. Hij ziet de noden en komt naar mensen toe. Hij geeft aan hoe we op onze beurt te gaan hebben. Ook omgekeerd gaat het op. Wanneer we ons laten raken door de anderen, dan is God al nabij.

Een godservaring gaat gepaard met huiver. Doe je sandalen uit. Ontdek de heiligheid van de plaats waar je staat. Schoeisel geeft stevigheid. De aarde voelt anders aan zonder schoeisel. Geen schoeisel, dit bemoeilijkt het lopen. Het maakt je iets onzeker en meer omzichtig. Wanneer men beschikbaar is voor het mysterie van God, kan men er niet triomferend binnen komen. Doe je sandalen uit, verlaat je eigen visie. “Mozes doe je sandelen uit, want men komt niet bij Mij om Me in te kapselen in zijn eigen ideeën. Jij bent het niet die mij in je persoonlijke synthese moet integreren, maar Ik ben het die jou in mijn plan wil integreren” (C. Martini, o. c., p. 34).

Mozes brengt ons bij de heilige Naam van God. Die naam is niet abstract, al lijkt het een hoge speculatie over de Zijnde, het Zijn, de bron van al wat is. De naam drukt een actieve presentie uit. De Egyptenaren zullen inzien dat JHWH in tegenstelling tot hun goden de werkelijk present-zijnde is. “Ik ben de met jullie meetrekkende en jullie zaak leidende.” JHWH is degene die er zal zijn en die er is; die niet slechts ergens en ooit, maar in elke hier en nu present zijnde. Hij spreekt zijn naam uit en belooft aan de getrouwen de beschermende presentie van hun Heer (M. Buber, Mozes, 1970)

Ik zal er zijn. Ik ben en blijf present. Ik sta overeenkomstig mijn wezen altijd weer degenen bij, over wie ik mij ontferm en ik laat jullie nu reeds weten, dat ik mij over jullie ontferm (Ibid. p. 52).

Mozes stapt met ons mee op onze tocht van veertig dagen.   Deze herinnert aan het verblijf van de Israëlieten in de woestijn. “Exodus is gaan betekenen: bevrijding uit elke situatie van verknechting (uittocht) en gebracht worden naar een plaats of toestand van veilig en vol leven (intocht)” (M. Vervenne, Exodus, Acco, p. 10). Elk jaar wuift Mozes op de tweede zondag van de Veertigdagentijd naar de mensen in het dal. Hij is dan samen met Elia in gesprek met Jezus op de berg van de verheerlijking. Ze spreken daar over het heengaan dat Jezus in Jeruzalem zal voltrekken. Mozes is tachtig maal aangehaald in het Nieuwe Testament; Elia dertig maal.

We zijn op weg naar Pasen. “Mozes is het symbool van de weg die de kerk centraal stelt in haar herinnering aan het doopsel, het is de weg die we allen afleggen in de Paasnacht. De Paasnacht, dat is de nacht van de kerk, de nacht van de christen, de nacht waarin wij de door de Rode Zee trekken. Het is de nacht van ons doopsel, van onze bekering, van onze eerste stap, voorwaarts naar de Heer” (C. Martini, Het leven van Mozes, 1984, p. 7).

Deze zondag zijn we nog met Mozes in de woestijn. Die plaats waar ik me misschien verlaten voel, kan mijn heilige grond zijn. Heilige grond, waar is die?

Glasramen van Marc Chagall zijn wereldberoemd. Op meerdere plaatsen heeft hij Mozes geschilderd in het brandglas (Kathedraal van Metz, Sankt Peter in Mainz, Fraumünster Zürich). Zo schilderde hij een struik met een krans van vuur en daarin de vier hoofdletters van de Hebreeuwse naam van God als symbool van zijn aanwezigheid. Voor de brandende struik is Mozes geknield; aandachtig luisterend. Op zijn hoofd zijn lichtstralen te zien. Hij is geraakt door Gods licht. Op al zijn beelden stelt Chagall Mozes voor met die twee lichtstralen. Zij zien er uit als kleine antennes. De schaapherder is ontvangpost en uitzendpost van het goddelijk licht geworden. Hij zal daarmee zijn volk leiden door de woestijn, bij honger en dorst, bij onmacht en opstand (Homilie van Klaus Endter over Ex. 3:1-14, Göttinger Predigten, 13.02.2011). Welke hoop en vertrouwen zenden wij uit vanuit ons geloof in Hem, die er is en die er zal zijn?