Nooit ben ik alleen

In de tijd tussen Pasen en Pinksteren ontvangen op vele plaatsen jonge christenen het vormsel. Ze leggen belijdenis af van hun geloof, het geloof dat zij met andere christenen delen. Bij een van de gezongen belijdenissen hoort dit refrein: “ja, ik geloof in God, Vader, Zoon en Geest. Nooit ben ik alleen.”

Dit is een korte samenvatting van onze geloofsbelijdenis. De Nederlandse pater J.F Lescrauwaet (SC) die professor was aan de KUL en hulpbisschop van het bisdom Haarlem, formuleerde dit zo “De wereld is niet alleen en geen enkele mens ter wereld is alleen, en dit geloof ik dankzij Jezus als Gods Christus” (J.F. Lescrauwaet, Katholieke Geloofsbelijdenis, Averbode, 1977). 

Wanneer kardinaal Ratzinger tot paus werd gekozen, zei hij in zijn homilie bij zijn aantrede als paus op 24 april 2005: “Wie gelooft is nooit alleen, noch in het leven noch in het sterven.”

Wer glaubt, ist nie allein.” Het was het thema bij zijn bezoek aan zijn Heimatstreek Beieren in 2006.

Nooit ben ik alleen”; dit kan staan als hoofdding voor het evangelie van deze zesde paaszondag (Joh.14,23-29). We vinden in de afscheidsrede van Jezus een fundering voor deze uitspraak.

Je bent niet meer alleen wanneer iemand bij jou komt inwonen. In de afscheidsrede van Jezus, vermeld in het Johannesevangelie, en in de eerste Johannesbrief komt het thema van het inwonen enkele keren aan bod.

De Vader en de Zoon komen bij hen die God liefhebben. “Wij zullen bij hem komen en verblijf bij hen nemen.” Johannes spreekt graag over het ‘blijven en verblijven’. “Das Johannesevangelium ist ein Evangelium des Bleibens” (Jörg Coburger). In het begin van het veertiende hoofdstuk sprak Jezus over de kamers in het huis van de Vader. Hij zei dat hij daar een plaats voor zijn vrienden zou klaar maken.   Maar hier komt Jezus samen met zijn Vader naar de leerlingen toe. Met hen bouwt hij hier een nieuwe tempel. In zijn afscheidsrede reikt Jezus ons de parabel aan van de wijnstok en de ranken. Ook daar is het verbonden blijven’ een sleutelwoord. Als ranken zijn wij met hem verbonden. “Als iemand in mij blijft en ik in hem, zal hij veel vruchten dragen” (Joh. 15, 5).

Nooit ben ik alleen.” Wanneer Jezus uit ons zicht verdwijnt, dan laat hij ons toch niet in de steek. Jezus kondigt de komst aan van de heilige Geest, de helper, de pleitbezorger. Deze wordt van bij de Vader gezonden in naam van Jezus. De Geest komt niet met nieuwe openbaringen, hij helpt om in herinnering te brengen wat Jezus heeft gezegd. De Geest trekt mee doorheen onze persoonlijke geschiedenis en in deze van de kerk en van de wereld. Hij zal er voor zorgen dat het spoor van Jezus niet verdwijnt. Hij zal helpen om doorheen de wisselende tijd onze banden met de Vader en de Zoon te onderhouden en ze telkens opnieuw te ontdekken. Zowel in het eigen leven als in de gemeenschap van kerk en wereld komen periodes voor met duisternis en onzekerheid. Daarin kan wat ons vertrouwd was, verdwijnen. Dit hebben de eerste leerlingen meegemaakt als ze, zoals Maria Magdalena, bij het lege graf stonden van de gekruisigde. Maria is vertwijfeld want “ze hebben mijn Heer weggenomen.”

De Geest verbindt de tijd van de aardse Jezus, die heen is gegaan, met de tijd waarin de evangelist leeft en schrijft. Hij brengt geen nieuwe openbaringen over het werken van Jezus, maar hij ontsluit deze.   De Geest doet met ons nog altijd wat Jezus deed met de leerlingen op de weg naar Emmaüs. Hij leert hen de Schriften te begrijpen en te ontdekken hoe Jezus er in tegenwoordig is. De Geest helpt ons de boodschap te verinnerlijken, haar te verdiepen en te actualiseren in de tijd waarin leven.   De Vader zendt na de dood van Jezus de Geest als een gave voor gans de komende tijd van de geschiedenis. Hij doet het in Jezus’ naam, die zijn leerlingen verzekert dat hij zal terugkeren. Wie perspectief heeft, is minder eenzaam. 

De joden hebben in hun geschiedenis een aantal keren de verlatenheid aangevoeld en getwijfeld of God zijn beloften trouw bleef. Tijdens de ballingschap was het koningshuis voor goed verdwenen en was de de tempel verwoest in het verre Jeruzalem. Dat maakten de joden opnieuw mee als de tempel in het jaar 70 volledig werd verwoest. Er zijn twee stromingen die deze sombere periode hebben geduid; deze van de rabbijnen, die dan nog meer op de rol van de Thora hebben gewezen en daarnaast die van de christenen, die in Jezus de tempel zagen. In beide bewegingen was Gods geest werkzaam zodat de schriften van het eerste testament hun kracht bewaren (J. Ratzinger, Jesusboek II, p. 49).

Hoe zouden we alleen kunnen zijn, als Jezus ons opneemt in zijn vrede. Hij zelf is die vrede. Het gaat hier om meer dan een vredeswens, maar het is een vredesgeschenk. Al weten we ons in een onrustige wereld, dan hoeven we toch niet te vrezen. Hij schenkt ons die vrede van bij de Vader. In elke eucharistie wordt ons die vrede van de Heer aangereikt. Bij het vredesgebed drukken we eveneens uit dat wij dank zij het geloof, de hoop en de liefde van de kerk niet alleen zijn. Wij zijn niet alleen dankzij Geestbezielde gelovigen om ons heen. Vanuit ons geloof en door onze liefde kunnen we bijdragen opdat andere mensen minder eenzaam zouden zijn.