Die hem barmhartigheid heeft betoond (Lc. 10,37)

 

In de gang naar het Centraal Station zitten daklozen en bedelaars. In de winter op dinsdagavond deelt een groep soep uit. Hun naam ‘De Samaritanen’ verwijst naar een oud verhaal, verteld door Jezus.

Wie was de Samaritaan? Een man die in Joodse ogen geen te beste naam had.

Hij was onderweg. Wie onderweg is, ziet en wordt gezien. Er zijn verrassende ontmoetingen.

Hij had een rijdier bij zich.

Hij had ook geld.

Hij kent de weg want hij weet waar in de buurt een opvang is.

Hij heeft het nodige bij zich voor eerste hulp bij ongevallen.

Rovers waren niet ver weg. Ze hadden ook hem kunnen bedreigen.

Hij ziet een man langs de weg liggen.

Het pakt hem tot in zijn buik.

Hij is geraakt tot in zijn ingewand.

Hij liet zich raken door wat hij ziet.

Hij onderbreekt zijn reis niet om een foto te maken of een selfie.

Hij handelt en is ondernemend.

Hij blijft om het slachtoffer bekommerd, want hij zal bij zijn terugkeer terug contact opnemen en betalen wat het onderhoud heeft gekost.

Is het verhaal echt gebeurd? Jezus heeft het in ieder geval verteld en dit met de bedoeling om aan een schriftgeleerder bij te brengen wie je naaste kan zijn.

In het verhaal komen andere personages voorbij: een priester, een leviet, mensen van de tempel, mensen van stand.

Zij hadden de gekwetste man gezien, maar maken er een boog om heen.

Confrontatie met het gelaat van de ander

“We worden hier geconfronteerd met een dubbele ongewenstheid: de man die daar ligt, heeft dat niet gewild; maar ook de drie die langskomen, hebben er niet op gerekend oog in oog te stammen met een mens in nood. Een ander komt hun bestaan binnen. Levinas noemt dit de ‘epifanie van de ander’. De ander duikt als lijdende in hun bestaan op en gooit hun leven, hun streven naar geluk en zingeving in de eerste persoon ondersteboven. De ander past niet in hun project. Hij is de ongewenste. In dit opzicht is de ander een ‘vreemdeling’, nu niet meer als sociale, economische of politieke categorie, maar als ‘naakte’ ander, blootgesteld aan weer en wind, aan lijden…” (Roger Burggraeve, Hoog tijd voor een andere God p. 134).

“Barmhartigheid begint dus niet als een edelmoedig initiatief, maar als een appel dat van elders komt: ik word geraakt door het lijden van de ander. Niet ik laat mij raken, maar ik wordt geraakt, terwijl ik liever niet gestoord wil worden.

Barmhartigheid heeft niets te maken met ‘ik heb er zin in.’ Er is een vorm van verantwoordelijkheid die niet uit mijn planning, voorkeur, aanleg, visie of verwachting voortkomt. Ze gaat aan de vrijheid vooraf, ze doorkruist de zingeving die ik autonoom zelf had vooropgesteld. We zouden dat de verantwoordelijkheid in de tweede persoon kunnen noemen. Ze wordt mij aangedaan door de manier waarop de ander in mijn leven opduikt. Door zijn verschijning als lijdende ander, interpelleert hi mij, wordt hij mijn roeping (E. Levinas) (Ibid.)

Barmhartigheid doen en bewijzen

Op de vraag van Jezus wie de naaste is geworden van de man langs de weg zegt de Schriftgeleerde: hij die barmhartigheid heeft gedaan, betoond, bewezen. Hier mogen we toch even naar het Grieks verwijzen dat Lucas gebruikt en waar letterlijk staat hij die ontferming, barmhartigheid heeft gedaan.

Het gaat niet alleen over goede gevoelens. Het volle leven zit in het doen.

Doen wij barmhartigheid? De Samaritaan heeft een werk van barmhartigheid gedaan. In de Schrift vooral bij Mattheus krijgen we een opsomming van goede werken (Mt. 25,35-36). Lucas kent een reeks goede werken, die Jezus zelf heeft gedaan: blinden zien, lammen lopen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden staan op, aan armen wordt de Blijde boodschap verkondigd (Lc.7,22). Jezus zelf is de Goede Samaritaan.

Zowel in de oude als in de nieuwe catechismus leerden en leren we nog over de zeven lichamelijke werken van barmhartigheid, alsook over de zeven geestelijke werken van barmhartigheid.

Kunstenaars hebben deze werken uitgebeeld en architecten gebruikten ze als versiering en tot onderricht van voorbijgangers. Zo op een gevel van een huis uit 1643 aan de Kraailei in Gent. Brueghel heeft een prent over de misericordia, waarin hij de zeven werken van barmhartigheid uitbeeldt: de hongerigen spijzen (te eten geven); - de dorstigen laven (te drinken geven); - de vreemdelingen herbergen (in huis opnemen); - de naakten kleden (klederen geven); - de zieken bezoeken; - de gevangenen bezoeken (gaan opzoeken); - de doden begraven

Weet dat je zelf eens een uitgeschudde mens kan zijn, wanneer je plots beroofd wordt van je portefeuille en bankkaart, wanneer je geraakt wordt in je gezondheid en verlaten wordt van hen, van wie je dacht dat hun trouw eeuwig zou zijn. Is er dan een herberg waar deze opgevangen worden? De oude abdij Kortenberg (OAK) beschouwt zich “als een ruimte om op verhaal te komen in het zachte ademen van een luisterende traditie, in de gulle warmte van een gastvrij mogen, in het dragende ritme van echte onderstroom. Er is in de samenleving nood aan plaatsen waar mensen zich voor een tijdje gedragen weten en zich gast mogen voelen. En als dit niet kan in een abdij, dan weten we het niet meer (Een getuigenis over Herberg zijn in het boek Aan zijn rijk komt geen einde...?! Over de lege kerken in Europa).

De Samaritaan is werkzaam in allerlei kleinschalige initiatieven rondom de Brusselse Bijstandsparochie (Bart Demytenaere, Het hart van Brussel, Johnny De Mot en zijn Bijstandsparochie). De Samaritaan is een figuur die ons blijft bevragen en richting geeft naar georganiseerde opvang.

Nooit zonder werk

De kerk is elke dag geroepen om bij elke gelovige de fijngevoeligheid van de Samaritaan op te wekken en te verfijnen. Paus Johannes Paulus II heeft in zijn herderlijk schrijven over het lijden Salvifici doloris de thematiek van de Barmhartige Samaritaan ontwikkeld. Het zevende hoofdstuk bevat passende aanzetten voor de opvolgers van de ‘Samaritaanse’ diensten. De geschiedenis van de Barmhartige Samaritaan eindigt immers niet.

“Gezin, school en andere opvoedingsinstellingen moeten – alleen al uit humanitaire overwegingen - met volharding werken aan het opwekken en verfijnen van die fijngevoeligheid tegenover de naaste en zijn lijden, waarvan de figuur van de Barmhartige Samaritaan uit het Evangelie het symbool geworden is. Vanzelfsprekend moet ook de kerk dit doen. Vanuit de motieven die Christus in zijn parabel en in heel het Evangelie aangeeft, moet zij - zo mogelijk - daar nog dieper op ingaan. De boodschap van de parabel van de Barmhartige Samaritaan en van het hele Evangelie komt in hoofdzaak hier op neer; de mens moet zich persoonlijk geroepen voelen in het lijden te getuigen van de liefde. Instellingen zijn heel belangrijk en onontbeerlijk; toch kan geen enkele instelling het mensenhart, het menselijk medelijden, de menselijke liefden, het menselijk initiatief vervangen, als het erom gaat de ander in het lijden te ontmoeten; dit geldt voor lichamelijk lijden, dit geldt nog meer voor de talrijke vormen van moreel lijden en bovenal voor zielenlijden” (Salvifici doloris, 29)

Zijn opvolger paus Benedictus wijdde zijn eerste encycliek aan de Caritas, aan de liefde als een dalende en opstijgende lijn. “Naar het model van de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan is de christelijke caritas het antwoord op wat in een bepaalde situatie zich als dringend aandient. Wie honger heeft, moet gespijzigd worden; wie geen kleren heeft, moet gekleed; wie ziek is, moet verzorgd met het oog op genezing; wie gevangen is, moet bezocht…. Alles moet in het werk gesteld worden om voor deze opdrachten over de nodige middelen te beschikken en vooral over bekwame mannen en vrouwen. Wat de dienst aan lijdende mensen betreft, is de beroepsdeskundigheid een eerste noodzaak. Wie instaat voor de zorg van lijdende mensen, heeft vorming nodig om de passende hulp op het juiste moment te kunnen geven en deze, zo nodig, verder te zetten. Beroepsdeskundigheid is een fundamentele vereiste. Op zichzelf volstaat ze echter niet. Het gaat immers over mensen. Een mens heeft steeds behoefte aan iets meer dan louter technische zorg. Een mens vraagt om humaniteit. Hij vraagt om aandacht van het ‘hart’. Wie werken in caritatieve centra van christelijke signatuur, mogen zich niet tevreden stellen om handig en kundig de passende akten te verstrekken. Zij zullen er voor zorgen dat dit gebeurt met een aandacht die uit het ‘hart’ komt. Zo ondervindt de mens in nood menselijk warmte. Daarom is er in en naast professionele opleiding aandacht vereist om het ‘hart’ te vormen. De gerichtheid op God en Christus wekt de liefde en richt onze geest naar de medemens. Geloof drukt zich uit in liefde” (Deus Caritas, 31a).

Onmisbaar

De rechtvaardige ordening van de maatschappij en de Staat is de centrale opdracht van de politiek. Gerechtigheid is het doel en de maatstaf van elke politiek (Deus Caritas, 28a). “Liefde, Caritas zal altijd nodig zijn, zelfs in de meest rechtvaardige maatschappij. Er is geen rechtvaardige staatsordening, die de dienst van de liefde overbodig kan maken. Wie de liefde wil afschaffen, zou daarmee de mens als mens uitschakelen. Steeds zal er leed zijn, dat op troost en hulp aangewezen is. Steeds zal er eenzaamheid zijn. Altijd zullen er situaties van materiële nood voorkomen, waarbij de naastenliefde hulp zal bieden. De totale verzorgingsstaat die alles naar zich toetrekt, wordt tenslotte een bureaucratische instantie, die het wezenlijke niet kan bieden, dat de lijdende mens – elke mens - nodig heeft: de liefdevolle persoonlijke benadering (Deus Caritas 28b).

Kerk, ga niet voorbij

Paus Franciscus heeft al herhaaldelijk aangetoond hoe de Samaritaan hem inspireert in zijn initiatieven om armen nabij te zijn. Hij wenst daarom een Samaritaanse kerk. Hij ziet de kerk als een veldhospitaal, waar zoveel wonden en kwetsuren moeten verzorgd worden. Gaan we zoals de Barmhartige Samaritaan onze reis onderbreken en de wonden verzorgen, eerder dan er studies over te maken of erger nog een bocht erom heen?

Het verhaal verrast omdat hier, zoals evenmin in de tekst over het laatste Oordeel God ter sprake komt. Omdat de medemensen voor Jezus zo heilig is, wil Jezus dat elke mens Barmhartige Samaritaan zou zijn. Zijn verhaal is zo universeels dat het met enige aanpassing in alle culturen kan verteld worden. Overal zijn mensen die een reden kunnen aanhalen om geen halte te maken bij leed en overal zijn mensen met medelijden die geen boog maken met een gekwetste, maar die naar hem toe gaan en helpen. De Samaritaan haalt hiervoor geen religieuze redenen aan. Toch is de ‘enge vierkante meter op straat, waar de overvallen man in zijn bloed ligt’ de plaats waar God nabij is (B. Bornkamm). Ga dan en doe evenzo! Liefde (Caritas), ze is nooit werkloos.