28ste zondag C (2007)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 194 niet laden

OPENINGSWOORD

Broeders en zusters, allemaal van harte welkom.

Er wordt heel vaak gesproken over de vreemdelingen in ons land. Nu weer over de inburgering van mensen uit Oost-Europa. En dat is begrijpelijk, want de toestroom is groot. Wij gaan het er nu niet over hebben of dat wel allemaal zo leuk is of niet, maar wij mogen wel zien, dat Jezus Christus soms verrassende dingen meemaakt bij vreemdelingen in het joodse land.

Zo ook vandaag weer in het evangelie. Tien melaatsen worden genezen. Van deze tien komt er slechts één terug om Jezus Christus te bedanken en deze ene was geen Jood, maar een Samaritaan, een vreemdeling dus.

Denken wij er aan, dat Jezus Christus er helemaal niet naar kijkt of iemand uit eigen land is of een vreemdeling. Hij kijkt alleen naar het hart. Uiteindelijk komen alle mensen van goede wil aan in het land van God. Wij allemaal komen aan als vreemdeling en worden gastvrij opgenomen, niet als gasten, maar als familie, als aangenomen kinderen van God.

Zuiveren wij ons hart, opdat wij in vriendschap met God en met elkaar deze heilige eucharistie kunnen vieren.

OPENINGSGEBED

Laat ons bidden. Almachtige God, uw goedheid valt met geen goud te kopen. Alleen aan hen die nederig van harte zijn, schenkt Gij de volle maat van menslievendheid. Bevrijd ons van de hoogmoed die ons ongenaakbaar maakt. Raak ons met uw reddende barmhartigheid. Door onze Heer Jezus Christus, ... . Amen.

PREEK

De woorden 'danken' en 'denken' hebben dezelfde stam. Ze zijn familie van elkaar. Danken en denken hebben met elkaar te maken. Wie nooit denkt, zal ook nooit danken.

Omdat we bij veel dingen niet meer denken, is er onder ons dikwijls een gebrek aan dankbaarheid. Het bijbelse percentage is misschien ook het onze: één op de tien keer denken we eraan te danken. Negen andere keren vergeten we het gewoon. Als de verwondering weg is, en alles vanzelfsprekend wordt gevonden, verdwijnt de dankbaarheid.

We verwonderen ons nog wel over een koorddanser in het circus. We applaudisseren, omdat die man hoog in de nok over een staalkabel kan lopen.

Maar eigenlijk is gewoon kunnen lopen al een wonder. Dat weet je pas als je in een wagentje moet, of als je je heup hebt gebroken, en weer voetje voor voetje moet leren lopen. Dan ben je dankbaar als je weer zelf naar de wastafel kunt.

Maar in ons gewone doen staan we er maar weinig bij stil, en zeggen we, denk ik, te weinig dank je wel voor onze gezondheid.

Mensen, die naar een ver en vreemd land waren gereisd, vertelden over hun indrukwekkende tocht, maar ze zeiden ook dat ze blij waren weer thuis te zijn. Zij zeiden: "Mensen, die hier zo gemakkelijk zeuren, zouden daar eens moeten gaan kijken. Ze zouden onze lieve Heer op hun blote knieën bedanken, dat ze hier geboren zijn".

Of om het dichter bij huis te houden: Er was ooit iemand ergens in Nederland naar een uitvaart geweest. Een cd-speler in plaats van een koor, geen mensen, die een mooi passend bloemstukje hadden gemaakt, nauwelijks kaarsen aan, geen acolieten, alleen een voorganger, die niet de indruk maakte de overledene te kennen; de viering was even dood als de overledene.

We zouden inderdaad al de mensen hier in onze eigen parochie best wat dankbaarder mogen zijn. Al die mensen, die op de voor- of achtergrond welke viering dan ook door hun trouwe inzet òf tot een waardig afscheid maken òf tot een groot feest.

Slechts één op de tien mensen bedankt ergens voor. Eén op de tien keer zeggen we "dank u" tegen elkaar. En even zo weinig danken we God voor allerlei zomaar gekregen geluk, onverdiende genade.

Wie weleens in Griekenland op vakantie is geweest, heeft daar meer dan eens gehoord, en misschien zelf gezegd: "Eucharisto"; dat wil zeggen: "Dank u wel".

Eucharistie vieren betekent eigenlijk "Dank U wel" zeggen tegen God. Ik weet zeker, dat God heel blij is dat wij hier in zijn Kerk gekomen zijn om "dank U wel" te zeggen, om er bij aanwezig te zijn als Jezus Christus op het altaar van het Kruis zijn levensoffer opnieuw aan de hemelse Vader aanbiedt.

Blijven wij trouw komen. Niet allereerst omdat het een gebod is - "Gij zult de Dag des Heren heiligen" zegt het derde van de Tien Geboden - maar omdat wij beseffen hoe goed God voor ons is, hoe zeer wij Hem ook nodig hebben.

Broeders en zusters, omdat het oktobermaand is nog even een woordje over Maria. Alles over Maria is belangrijk, maar óók heel belangrijk is dat zij de titel heeft ‘Maria, Moeder van God'.

Deze titel dateert van het jaar 431 na Christus. Op het oecumenisch concilie van Efeze was bepaald dat Maria moeder van God (theotokos in het Grieks) kon worden genoemd, en niet alleen moeder van Christus (christotokos), zoals de theoloog Nestorius ten onrechte beweerde.

Daar zat de volgende foutieve redenering achter. Als mens kan Maria niet de oorsprong zijn van een goddelijke persoon. Alleen goden en godinnen kunnen andere goden maken.

Maar Maria is de moeder van Jezus. En Hij is niet geboren in onderdelen, die na zijn geboorte als legostenen in elkaar gezet moesten worden. Eén goddelijke persoon leefde negen maanden lang in Maria's schoot en één goddelijke persoon kwam via de geboorte op aarde. En ook al heeft Maria Jezus niet Zijn goddelijke natuur gegeven, ze droeg wel de tweede persoon van de heilige Drie-eenheid in haar schoot, en die ene persoon is op kerstdag geboren: heel, volledig en intact. Dus ook al was zij schepsel en niet de Schepper, ze kan toch de moeder van God worden genoemd, omdat ze de Zoon van God heeft gebaard en omdat ze de moeder van de Zoon van God is.

Je kunt deze opvatting misschien ook begrijpen door eens naar je eigen moeder te kijken. Je moeder heeft je niet je onsterfelijke ziel gegeven. Die heb je van God. Ze gaf je vijftig procent van je genetische samenstelling, maar ze had je vader nodig voor de andere vijftig procent; en ze hadden samen God nodig om je een ziel te geven. Maar stuur je haar op moederdag een kaartje met de tekst: `Aan de vrouw die me de helft van mijn genetische code heeft gegeven'? Of ga je haar vertellen dat ze je geen ziel heeft gegeven, maar alleen een lichaam en dat ze daarom slechts voor de helft je moeder is? Dat doen wij natuurlijk niet. Puur verstandelijk gezien heeft je moeder je alleen maar vijftig procent van je DNA gegeven, maar ze heeft wel jou op de wereld gezet. Ze heeft een hele en volledige persoon gebaard, en geen twee delen. Je lichaam en ziel zijn bij de verwekking verenigd. Eén persoon groeide daaruit en leefde in de moederschoot, een hele en volledige persoon werd eruit geboren.

En zo is het ook met Jezus, die uit Maria werd geboren: één goddelijke Persoon met een goddelijke en een menselijke natuur. Maria is niet de Moeder van een van de onderdelen, nee, zij is de Moeder van de gehele Persoon.

De Bijbel onderschrijft deze logica. Toen Maria nog maar een paar dagen zwanger was van Jezus, ging ze op bezoek bij haar nicht Elisabet, die zes maanden zwanger was van Johannes de Doper. Elisabet begroette Maria: "Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt?" (Lucas 1:43). Elisabet gebruikte het woord ‘Heer', dat ook werd gebruikt om naar God te verwijzen: de Heer God, Adonai Elohim in het Hebreeuws. Elisabet noemde Maria "de moeder van de Heer" en de Heer is God. Maria is de moeder van God, omdat zij de moeder van de Heer is. Het betekent natuurlijk niet dat Maria goddelijk was, dat ze een godin was of goddelijke kenmerken had.

Ik hoop, dat wij deze hemelse Moeder, ònze hemelse Moeder, allemaal vereren, bijzonder in deze oktobermaand. Wij hebben haar nodig. Niemand heeft meer invloed bij God dan zij. Zij is de machtigste voorspreekster, die er bestaat. Zijn wij haar vrienden en vriendinnen door tot haar te bidden en te zingen, maar vooral door haar manier van leven na te volgen. Danken wij God voor deze zeer bijzondere hemelse Moeder.