22e zondag door het jaar C - 2010

Zusters en broeders,

In mijn geboortedorp was er op het einde van een schooljaar altijd een plechtige proclamatie. Die ging door in de parochiezaal, en die zat altijd afgeladen vol. De eerste twee rijen waren voorbehouden voor meneer pastoor, de twee onderpastoors, moeder overste en nog een paar zusters, de burgemeester en de schepenen, en nog een paar andere wellicht belangrijke mensen. En dan zag je hen binnenkomen, niet zolang voor het begin van de proclamatie, ze moesten door heel de zaal die allang vol zat, en namen vooraan hun plaatsen in. Als kind al vroeg ik me af: Zouden die dat nu echt graag doen, zo tussen al die mensen die soms geen plaats meer vinden naar voor schuiven en op de eerste rijen gaan zitten? Ik vraag het me nu trouwens nog altijd af als zich dezelfde situatie voordoet, en net als zoveel jaren geleden heb ik de indruk dat er mensen zijn die genieten van belangrijk te zijn en gezien te worden, maar dat er ook zijn die zich daar niet echt goed bij voelen. Je ziet het aan de ongemakkelijkheid waarmee ze zich bewegen en aan hun wat schuchter om zich heen kijken.

In de lezingen van vandaag gaat het precies daarover: hoe ga je om met menselijke belangrijkheid? Voor Jezus Sirach in de eerste lezing is het antwoord snel gegeven: 'Blijf bescheiden', zegt hij, 'dan zal je geliefd zijn bij je medemensen en genade vinden bij God. En denk erom dat hoogmoed een ziekte is waarvan je nooit geneest.'

Ook Jezus gaat er dieper op in. Jezus, de Zoon van God, die ons komt vertellen over zijn hemelse Vader, die ons oproept tot geloof en liefde, diezelfde Jezus heeft het vandaag over tafelmanieren. Dat lijkt niet in zijn zending te passen, maar dat is slechts schijn. Want eigenlijk zegt Hij: 'Geloven en liefhebben gaat om de hele mens, en begint met enkele basisregels, en een van die regels is beschaafd zijn. En hoogmoed is niet beschaafd, want hoogmoed kwetst en vernedert, en beschouwt andere mensen als minderen, als te verwaarlozen, als een ding waarmee je mag doen wat je wilt. Dat leidt tot uitbuiting en zelfs slavernij. En dat kan niet, want elke mens is een mede-mens, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Als je je mede-mens dus vernedert, kwetst, uitbuit, tot slaaf maakt, vergrijp je je aan God zelf. Laat die hoogmoed dus maar rap varen.'

Jezus' reactie op een schijnbaar puur menselijk gebeuren als tafelgedrag is dus helemaal niet zo vreemd. Hij doet dat trouwens geregeld. Hij ziet om zich heen, reageert op wat Hij ziet en geeft er een diepere betekenis aan. In de tempel bijvoorbeeld ziet hij hoe een arme weduwe een klein muntstukje in het offerblok steekt. Rijke farizeeërs daarentegen gaan met veel gedruis tot aan het offerblok en laten er veel geld in vallen. Uit hun hele houding spreekt: 'Heb je me allemaal gezien? Heb je gezien hoe vrijgevig ik ben?' 'Welnu', zegt Jezus, 'die arme vrouw heeft meer gegeven dan die rijken, want zij geeft vanuit haar armoede met haar hart, die rijken daarentegen geven van hun overvloed voor het oog van de mensen.' Zo ook vandaag. 'Wees niet hoogmoedig', zegt Hij. 'Neem geen plaats in die je niet verdient, want je maakt je belachelijk. Denk erom: Wie zich verheft, zal vernederd worden.'

Jezus geeft nog een tweede raad: 'Nodig niet altijd mensen uit die niet anders kunnen dan nadien ook jou uitnodigen, maar nodig armen en gebrekkigen uit.' Het is een oproep om op te komen voor de armen en de kansarmen. Die oproep weerspiegelt zijn eigen levenshouding, want Hij kwam inderdaad altijd op voor mensen die het moeilijk hadden. Wijzelf krijgen alle kansen op zijn oproep in te gaan en zijn voorbeeld na te volgen, bijvoorbeeld via Welzijnszorg en Broederlijk Delen. Daarmee nodigen we effectief kansarmen aan de tafel uit, omdat we ze kansen geven om zich uit hun ellende te bevrijden.

Zusters en broeders, Jezus wil de volledige mensen raken, omdat het geloof en de liefde die Hij preekt zo veelzijdig zijn dat ze de hele mens beslaan, dus ook in zijn tafelgedrag. Wellicht zou Hij vandaag zeggen; 'Wanneer je met je gezin aan tafel gaat, heb dan oog voor elkaar. Laat elke maaltijd een feestmaal zijn van hartelijkheid en vriendschap. Geen snelle hap met één oog op de tv en het andere op het bord. Nee, alleen maar oog en oor voor elkaar. Want de beste plaats aan tafel is die waar je vriend en deelgenoot kunt zijn met je tafelgenoten.' Laten we dat dus doen, in alle bescheidenheid vriend en deelgenoot zijn van en voor elkaar, niet alleen aan tafel, maar in heel ons doen en denken, in al onze ontmoetingen, op het werk, op de trein, thuis, waar we ons ook bevinden. Gewoon, zonder hoogmoed of berekening: vriend en deelgenoot, zoals Jezus dat wil zijn voor ons. Amen.