Wij zijn wat wij voor God zijn

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

In veel Bijbeluitgaven staat boven deze evangelieperikoop: ‘aansporing tot bescheidenheid'. Op het eerste zicht zou dit kunnen kloppen, maar het is zeker niet de bedoeling van Jezus geweest om ons een les te geven in bescheidenheid, hoewel wij die misschien van tijd tot tijd wel kunnen gebruiken. Jezus wil ons de juiste levenshouding aanleren. Wanneer gij door iemand uitgenodigd wordt...

Elke christen zou zich bewust moeten zijn dat zijn plaats in het Godsrijk hem geschonken wordt. Wij worden door God uitgenodigd, wij kunnen onze plaats niet verdienen. God heeft ons het eerst liefgehad; niet op grond van onze goede werken maar door Zijn liefde zijn wij verlost en geroepen tot het eeuwige leven. Daarom bestaat er in het Godsrijk ook geen boven of onder, geen eerste of laatste, omdat ware liefde zulk een onderscheid nooit maakt. God heeft ons niet lief, omdat wij zo goed zijn, maar God maakt ons goed, omdat Hij ons liefheeft. De sociale maatstaf van rang of stand, waarvoor de mensen zo gevoelig zijn, zijn maatstaven die in het Rijk Gods niet gelden. De waarde van een mens wordt niet bepaald door wat hij kan of wat hij heeft, maar enkel door wat hij is voor God. God heeft elke mens geschapen naar zijn beeld en gelijkenis; dat is de waarde van elke mens. Hij is een kind van God. Voor God heeft elke mens dezelfde waarde. Paulus drukt deze gedachte kernachtig uit als hij zegt: "Want gij zijt allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. De doop heeft u allen met Christus verenigd, gij hebt Hem aangetrokken als een kleed. Er is nu geen sprake meer van Jood of heiden, slaaf of vrije, man of vrouw, allen tezamen vormt gij één persoon in Christus Jezus." Deze waarheid heeft Jezus in zijn woorden en daden duidelijk gemaakt, Hij gaf aan iedere mens, van welke rang of stand hij ook was, het gevoel dat hij waardevol en bijzonder was. Dat maakt Hij vooral duidelijk voor de zondaars, de vrouwen, de kinderen, die in zijn tijd niet van tel waren. Deze hoogachting voor elke mens noemt Franciscus de deemoed van God. Op het eerste gezicht een vreemd woord. God hoeft toch niet deemoedig te zijn, het is de mens die deemoedig moet zijn voor de Allerhoogste. Maar juist dat is het meest verwonderlijke, God heeft zijn goddelijke majesteit doen schuilgaan in de menswording. Hij heeft het leven gedeeld van de armen, de zieken, de uitgestotenen. Dat duidt de waardigheid van de armen en de kleinen aan: God verbergt zich daarin en is daarin te vinden. En dat is ook onze waardigheid, want wie van ons is in zijn leven niet op een of andere wijze arm, gehandicapt, lam of blind. Wij hebben onze plaats in het Rijk Gods gekregen. Deze gedachte zal ons behoeden voor zelfoverschatting of minachting van de anderen. De raad om niet op de eerste plaats te gaan zitten of alleen die mensen uit te nodigen, die mij weer zullen uitnodigen, kan mij elke dag goed te pas komen om de waarde van de mens niet afhankelijk te maken van zijn hebben of kunnen. Hoe vrij zouden wij ons voelen in de dagelijkse omgang met de mensen als heel die concurrentiestrijd zou wegvallen om de grootste, de sterkste, de rijkste te moeten zijn; als wij geen maskers meer behoeven te dragen, ons niet moeten verbergen achter façaden en allen een even grote eerbied zouden betonen voor de armen, kleinen, zieken, gehandicapten en bejaarden.

Onze parochie zou deze alternatieve levenswijze duidelijk moeten kunnen maken, als wij samen aanzitten aan de tafel van de Heer, waar geen eerste en geen laatste plaats is, want wij zijn allen broeders. Dan wordt Gods Rijk zichtbaar voor de mensen.