5e zondag door het jaar B (2012)

Wanneer ben je ziek en wanneer ben je gezond? Wanneer ben je gelukkig en wanneer ben je terneergeslagen? Wanneer ben je moedeloos en wanneer ben je hoopvol. Wanneer blijf je liggen, blijf je zitten, kom je niet meer in beweging en wanneer sta je op?

 

We zijn in onze tijd gezegend met psychologen. Nu heb je in elke beroepsgroep een middenmoot en een top. Maar laten we even uitgaan van goede psychologen, die naast wetenschappelijke ontwikkeling ook mensenkennis hebben, die naast theoretische kennis ook wijsheid bezitten, die niet zozeer nadenken over de rekening die ze kunnen schrijven, maar vooral doordenken over de persoon die ze voor zich hebben.

 

Een goed psycholoog kan mensen helpen om met die eerste vragen om te gaan. Vooral met de vraag, waarom ben je niet gelukkig, waarom ben je terneergeslagen of moedeloos en kom je niet in beweging?

 

Vandaag drie mensen die hierover kunnen meepraten. Job in de eerste lezing, Paulus in de tweede lezing en de schoonmoeder van Petrus in het Evangelie. Job zegt: “Ik ken vruchteloze maanden en nachten lang van getob, wanneer wordt het morgen en wanneer wordt het avond.” Paulus zegt: “Dat ik het evangelie predik is voor mij geen reden om te roemen: ik kan niet anders, met de zwakken ben ik zwak geworden, van allen onafhankelijk, heb ik mij de slaaf van allen gemaakt.” En de schoonmoeder van Petrus ligt met koorts in bed. Zij komt er niet uit. Wat mankeert ze? Zomaar koorts, of is zij net als Job? In de ochtend verlangt ze naar de avond en in de avond verlangt ze dat de nacht voorbij is.

 

We hebben de vorige eeuw allerlei stromingen meegemaakt, zo ook de stroming van het positieve denken. In elke stroming zit wel iets goeds, anders krijg je niet een groep mensen mee. Maar elke stroming heeft ook haar beperkingen, die soms al na korte tijd zichtbaar worden. Wanneer positief denken wordt gebracht als een oplossing voor alle problemen, dan weet je al dat het een luchtballon is die op klappen staat.

 

Een gezonde positieve houding is nooit weg. Want mensen kunnen in een negatieve spiraal gevangen raken, ze zien dan geen sprankje licht meer. In een echte depressie kunnen mensen niet meer zien hoe schitterend een bloem is, hoe leuk een klein kind is, hoe mooi de zon schijnt en hoeveel kansen het leven biedt. Zoiets kan dodelijk zijn. Job lijkt soms op een mens in depressie en de schoonmoeder van Petrus heeft waarschijnlijk niet alleen een beetje koorts.

 

Waar vindt Paulus zijn kracht, waardoor hij in de lastigste omstandigheden stand weet te houden? In deze eerste brief aan de Christenen van Korinte schrijft Paulus iets eerder, in het vierde hoofdstuk:

 

"4,9 Volgens mij heeft God ons, apostelen, de laagste plaats toegewezen, alsof we ter dood veroordeeld zijn. We zijn voor heel de wereld, zowel voor engelen als mensen, een schouwspel geworden. 10 Wij zijn dwaas omwille van Christus, … wij zijn zwak, … 11 Tot op de dag van vandaag lijden we honger en dorst, hebben we nauwelijks kleren, worden we mishandeld, zijn we dakloos, 12 zwoegen we voor ons eigen brood. Worden we bespot, dan zegenen we; worden we vervolgd, dan verdragen we het; 13 worden we beledigd, dan antwoorden we vriendelijk. Tot op dit ogenblik zijn wij het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid."

 

Paulus kan zo'n leven verduren, verdragen en volhouden, omdat hij een andere bron van vreugde heeft. Een bron die veel dieper zit, die onder alle uiterlijke omstandigheden blijft stromen. Paulus heeft Christus leren kennen en heeft in Hem een bron die hem in staat stelt in alle omstandigheden stand te houden.

 

Dat is ook wat de schoonmoeder van Petrus vandaag ervaart. Als Jezus naar haar toe gaat en haar bij de hand pakt, is dat niet om haar pols te meten, maar om haar te helpen opstaan. Niet helpen omdat ze slecht kan lopen of staan, maar helpen opstaan uit alle moedeloosheid en gedeprimeerdheid. Als Hij haar hand neemt, krijgt ze deel aan zijn verrijzeniskracht. Er staat dan ook: “Hij ging naar haar toe, pakte ze bij de hand en deed haar opstaan; zij werd vrij van koorts en bediende hen.” Meteen volgt ze Jezus na, die zegt: “Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.”

 

Dat is wat er hier en nu ook met ons mag gebeuren. Hier in de Eucharistie vieren we zijn Verbond met ons. Hij wil altijd opnieuw in ons midden zijn zodat zijn verbindende kracht doorgaat. Hij raakt ons aan, Hij reikt ons de hand, Hij geeft ons het Brood en zegt: “Dit is mijn Lichaam.” Hij geeft ons de kelk en zegt: “Dit is mijn Bloed van het Verbond.” Zo worden wij één Lichaam, zijn Lichaam, en kan zijn Kracht in ons doorgaan.

 

Job kwam tot inzicht dat zijn verstand te klein was om het mysterie van goed en kwaad, van leven en lijden, van verdriet en vreugde te begrijpen en te vatten. Dit mysterie moest hij aan God laten. Job kende Christus nog niet.

 

Paulus heeft ervaren dat Christus Gods antwoord is voor alle omstandigheden in ons leven. Christus is niet de oplossing voor alle problemen. Hij is wel de weg die bij alle obstakels verder gaat, door zijn verrijzeniskracht.

 

Onze Kerk weet wat echt positief denken is. Dat heet bij ons geloven. Niet geloven in eigen kunnen, maar geloven in Hem die onze beperktheid draagt en ons helpt opstaan, elke dag opnieuw, elk jaar opnieuw, totdat we eens opstaan uit de dood en leven in het Vaderhuis, in de totale vreugde van God zelf. Amen.