28e zondag door het jaar B

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

De kinderen zijn ook op deze zondag aanwezig. 'Kinderen', zegt Jezus tot zijn leerlingen, 'wat is het moeilijk het Koninkrijk Gods binnen te gaan'. De leerlingen luisteren naar de Meester zoals kinderen naar hun vader luisteren. De opgang naar Jeruzalem gaat verder. Het onderricht aan de leerlingen wordt voortgezet. Ze zijn als kinderen die vertrouwen hebben, maar ze vallen van de ene verbazing in de andere. 'De leerlingen stonden verbaasd over wat Hij zei'. En verder: 'Toen waren ze nog meer verbijsterd en ze zeiden tot elkaar: ‘Wie kan dan nog gered worden'?'

'Wat is het moeilijk het Koninkrijk Gods binnen te gaan'! Wie Jezus wil volgen naar Jeruzalem moet zijn machtsdrang opgeven. 'De eerste zal de dienaar van allen moeten zijn'. In de liefde moet hij zich aan de andere geven. 'Zo komt het dat een man zijn vader en moeder verlaat en zich zo aan zijn vrouw hecht dat zij volkomen één worden'. Het is altijd verlaten om te vinden, verliezen om te winnen, vertrekken om elders thuis te komen, sterven om te leven.

De leerlingen hoorden Jezus over macht en over liefde. Vandaag horen ze Hem over geld spreken. Hij gaat niets uit de weg van wat het hart van de mens bezig houdt, gevangen houdt of bevrijdt. Geld is zo iets, zoals macht en liefde. Het houdt de mens dag en nacht bezig. Het betekent plezier en deugd, onafhankelijkheid en vrijheid. Iets bezitten is goed, natuurlijk en gezond. Geld is verantwoordelijkheid en dienst. Jezus weet dat alles.

Hij weet ook dat met geld veel kwaad gemoeid is, veel dat slecht, onnatuurlijk en ongezond is. Hij weet dat men met geld zelfs macht en liefde koopt, dat de mensen over geld spreken als over het hoogste goed: 'Doe dat maar, het kost geen geld'. Het geld is een symbool, dat de mens in zijn lichaam en zijn ziel bepaalt.

Het is over dat geld dat Jezus nu spreekt. Men kan goed en vroom zijn en terzelfder tijd veel geld bezitten. Zo is de man die zich voor Jezus op de knieën werpt. Hij 'bezat vele goederen', zegt het evangelie en onderhield de geboden vanaf zijn jeugd, ook de geboden die over geld en goed handelen: 'Gij zult niet stelen' en: 'Gij zult niemand te kort doen'. Hij gaf ook regelmatig aalmoezen en vergrootte zo geregeld zijn schat in de hemel, volgens de opvattingen en gebruiken van de goede en vrome Joden uit Jezus' tijd en van de goede en vrome mensen van nu. Toch was zijn beurs te zwaar voor de tocht met Jezus naar Jeruzalem. Toch zat hij met een vraag: 'Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven'? Was de kennis van de geboden dan niet genoeg? Voldeed het dan niet ze te onderhouden? Waar kwam dat onbehagen en die onvrede bij die man die de geboden kende en onderhield vandaan? Wat was dat 'éne ding' dat hem volgens Jezus ontbrak?

Schijnbaar ontbrak hem niets. Hij had 'alles' op aarde en met de geboden verder te onderhouden zou hij ook 'het eeuwig leven verwerven Jezus zegt niet dat daarvoor iets meer gevraagd wordt. Meer nog, de apostelen 'hebben alles prijsgegeven' en zullen bij het oordeel toch niets méér ontvangen: 'in de toekomstige wereld het eeuwige leven', zoals Jezus aan Petrus antwoordt. Wie zijn goede en vrome leven voortzet na zijn ontmoeting met Jezus, kan zijn schat in de hemel verder opbouwen. Wie alles verkoopt wat hij bezit en het aan de armen geeft, kan dadelijk zijn 'schat in de hemel bezitten'. Dat verschil is niet beslissend. Het verschil ligt in wat volgt: 'Kom dan terug om Mij te volgen'.

De man is niet vrij. Dat hij Jezus niet kan volgen, dát is het 'éne ding' dat hem ontbreekt. Hij gaat 'ontdaan' heen. Hij ontdekt niet dat 'alleen God goed' is. Hij wordt geen vertrouwvol leerling, geen kind. 'Voor God is alles mogelijk', al wat men heeft aan geld, liefde en macht met de armen ruilen tegen 'een schat in de hemel' en tegen vrijheid in Jeruzalem en over heel de aarde.