Begonnen bij God (2000)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

DE DOOP-MIS

Jonge mensen zijn niet meer vertrouwd met kerkelijke begrippen. Bij de voorbereiding van een dienst had een mevrouw op zich genomen de voorbede te maken. Ze las haar tekst voor: ‘Als je een vriendje op bezoek krijg laat je hem met je autootje spelen...’ ‘Dat is toch geen gebed!’ riep iemand. De schrijfster antwoordde: ‘Ik zou toch de voorbeelden maken’.  
Hoe groot de afstand ook is tussen jonge mensen en kerk, als het wonder van een geboorte zich in hun huis voltrokken heeft, bellen de meesten toch de pastoor en informeren schuchter naar de mogelijkheid van een doop, schuchter als hun relatie niet kerkelijk bevestigd is. Een doop wordt afgesproken. Na afloop bedanken ze voor wat ze ‘de doop-mis’ noemen of de ‘doping’.

JEZUS ZEI IETS GEKS

Een paar weken later zie ik ze in de kerk. In hun kielzog nemen ze een hele stamboom mee: de wederzijdse ouders, grootouders, broers en zussen met ook allerlei klein grut dat zich aan ouderlijke benen klemt totdat het zich vrij genoeg voelt om zich te laten uitdagen door de prachtige ren-vloer en klim-trappen. De ouders wikkelen hun kind uit. Ze stoppen het met een verontschuldigend gemompel een fopspeen in de mond. Een oom met video-apparaten krijgt van de vader de laatste instructies. De doop kan beginnen.
Het evangelie van Marcus wordt gelezen. Jezus schenkt zegenende aandacht aan kleine kinderen. Als er kinderen zijn vraag ik of ze het een mooi verhaal vinden. Ik loop nooit een blauwtje. Ze knikken altijd ‘ja’. ‘Weet je nog wat Jezus zei?’ vraag ik. Ze knikken ja, maar de mond knijpen ze stevig dicht. ‘Jezus zei iets geks. Hij zei tegen de grote mensen dat ze wat meer op de kinderen moeten gaan lijken...’ Ik wacht even om de draagwijdte van de opmerkingen te laten doordringen. ‘Zo jullie niet worden als kinderen ga je het Rijk van God niet binnen...’

DE NEUS VAN VADER

Ik kijk naar het kindje. Ze lijkt al op de ouders. Als het even kan zeg ik dat het op de vader lijkt. Dat horen ze graag. De moeder heeft tijdens het baren maar al te goed gevoeld dat het haar kind is. Maar de vader moet het nog tot het zijne maken. Als oorschelpje of neusje op de zijne lijken, helpt dat wel. Ooit las ik dat de natuur er voor zorgt dat het kind de eerste maanden vaker op de vader lijkt, maar misschien willen we dat alleen maar zo zien. In de grimas van de hele kleintjes herken ik alleen maar een hagedis.
Het kind moet op zijn ouders gaan lijken. Zij moeten hem van alles en nog wat gaan leren. Indrukwekkend: de hele cultuur van Mozes in de Rietzee tot Picasso en Windows98 begint in dit kind bij punt nul. Geen wonder dat de geschiedenis van de mensheid zo labiel is, zo vol revolutie en veranderingen. Bij elke geboorte moet de menselijke identiteit worden overgedragen.

WAT KAN EEN BABY ONS LEREN?

En nou zegt Jezus: jullie kunnen wat van dit kind leren. Wat bedoelt hij? Ik vraag het aan de kinderen. Die knijpen hun oogjes strak dicht om nadenken te suggereren. Daarbij draaien ze met hun hoofdjes iets in het rond. Wat kunnen we van dit kindje leren? Ik ‘time’ het zo dat het kindje op dat moment rustig is. Je kunt het benijden hoe tevreden en behaaglijk het in de armen van de moeder ligt. We zijn allemaal zo begonnen, zo gewenst, ze ongegeneerd, ze helemaal onszelf en toch nog helemaal niet onszelf. Wat bedoelt Jezus? Hoe kunnen we van dit kindje leren wie God is?

Dominee Klink heeft veel kinderuitspraken verzameld. Een ervan is mij intens dierbaar. Ze komt uit de mond van een vijfjarig meisje. Thuis was haar broertje Marc geboren. Op de kleuterschool hoort ze de juffrouw vertellen dat God onzichtbaar is. Dat is spannend. Zij steekt haar hand op en zegt: ‘Ik weet iemand die god heeft gezien: Marc. ‘Maar’, voegt ze er berustend aan toe, ‘nou zul je zien, als ie kan praten dan weet ie niet meer...’ Wat een wijsheid!
De baby heeft nog weinig identiteit. Het gaat nog helemaal op in geborgenheid. Het wordt gewiegd in warmte en op handen gedragen. Het onderscheidt zich nog niet van de rest van het heelal, het is er een onvervreemdbaar onderdeel van. De pasgeborene is nog niet een ‘ik’ tegenover de rest van de wereld. Over drie jaar misschien. Dan zal het een vuist ballen tegen de maan en tegen ons. Maar nu is het nog niet ontwaakt uit het mysterie zelf van wat is en van wat er niet niet is. Het geniet nog de oorspronkelijke eenheid met alles. Precies dat is de goddelijke werkelijkheid. Het is de werkelijkheid waarheen de dood ons terugbrengt. Het vermoeden dat niet onze indivualiteit de zin van ons bestaan uitmaakt, maar onze samenhang met het hele wonder.
Daarom dopen we het kind. Niet om zijn schuld af te wassen, maar om te laten zien dat het ons heilig is. Om het over het hoofd te aaien zoals Jezus deed en zo een even iets goddelijks aan te raken. Heerlijk. Dopen moet niet. Dopen mag! En ongedoopte kinderen zijn even goddelijk!

HOE MEER HOE GIERIGER!

Lieve kinderen. Even een vraag. Spaar jij dingen? Zeg het maar...? Vroeger spaarde ik postzegels en sigarenbandjes en flessendopjes en knikkers en lucifersdoosje. Ik zie ook kinderen met olifantjes of autootjes. Vincent spaarde pissebedden waar hij een ansichtkaart onderschoof en een potje kieperde.
Verleden jaar zag ik Bas met pokemonkaarten in de weer. Hij vond de monstertjes ontzettend spannend en tekende ze na en download-de ze van internet. Ik weet nog dat hij trots vertelde dat hij er al tien had. ‘Mag ik er ook eentje?’, vroeg ik. Geen punt! Hij stak me er gelijk een toe. Van de week zag ik Bas. Ik was de preek van vandaag aan het maken. Over kinderen die sparen. ‘Hoeveel pokemenkaarten heb je nu?’ ‘Phoe!’, zuchtte Bas, ‘wel duizend... Zo’n pak.’ Hij strekte duim en wijsvinger ver uit elkaar. ‘Mag ik er een paar van hebben, of lenen, dan laat ik ze in de kerk zien.’ Bas keek me aan met een vuile blik in de ogen. Hij wist niet hoe hij zich eruit moest redden. Je zag dat hij ze niet graag weggaf. ‘Je hebt er vorig jaar toch al een gehad!’
Ik zei maar niets meer. Hoe meer je hebt, des te moeilijker is het om te delen. Een kameel loopt nog makkelijker door het oog van een naald, zei Jezus al.