Het geheim van de donderpreek (2006)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

VLOEKEN IN DE KERK


De tijd ligt achter ons dat pastoors vanaf de preekstoel schande spraken over mensen die op zondagmiddag het café kozen boven het lof. Priesters voelden zich sterk met een volle kerk vóór zich en God àchter zich. ‘Ik zou nog wel eens zo’n donderpreek willen horen’ zei iemand. Ik zou het niet kunnen.
Eèn keer heb ik me eens boos gemaakt op de kansel. Ik wilde opkomen voor de bewoners van het Veldje. In vergelijking met mijn voorgangers was ik erg gematigd. Toch kreeg ik de vraag of er niemand boos was geworden.
Ik zal u een geheim verklappen.
Zolang je geen namen noemt wordt niemand boos. Iedereen denkt dat het over de buurman en de buurvrouw gaat.

DE RIJKE IS DE BUURMAN

Zo is het verhaal over de rijke jongen, door de eeuwen verteld, en er is met genoegen naar geluisterd
Door de arme slaven in Jeruzalem, mensen die aan lager wal waren geraakt, die zonder land en inkomsten waren, die hun spierkracht verkochten; gedeporteerd na een veldslag, ver van huis ergens op een markt verkocht. Ze hoorden het verhaal van Jezus graag over die rijke, wijze jongeman, die vrome jood, die niet in staat was om Jezus te volgen. Zijn bezit hing als en blok aan zijn been.
De rijke christenen in de eerste eeuw beluisterden het verhaal eveneens met plezier. Mattheus schreef voor hen. Hij komt zijn toehoorders tegemoet. Zo geeft hij bijvoorbeeld uitleg aan de uitspraak van Jezus ‘zalig de rijken en wee de armen.’ Hij maakt ervan: ‘Zalig de armen van geest, degenen die in hun mentaliteit arm zijn gebleven, dienstbaar en nederig.’ De rijke inwoners van Jeruzalem vinden zichzelf niet zo heel rijk. Zij luisteren vergenoegd naar het verhaal van de jongeling. In hem zien ze de grootgrondbezitter die een lui leventje aan de kust leidt. Of de prins in zijn paleis die heult met Rome. Ze zien de vrek in hem die de huizen van weduwen in beslag laat nemen....

Zo is het wel eeuwen gegaan. Het verhaal is met instemming beluisterd aan het hof van Karel de Grote, bij de lakenhandelaren in Assisië, in de pakhuizen van Toulouse en in de haven van Amsterdam. Het is aan tafel gedeclameerd bij de familie van Oranje Nassau en afgelopen week heb ik het zitten lezen. We hebben allemaal gedacht: die rijke heeft het moeilijk. En niemand werd boos.

REMBRANDT

400 Jaar geleden werd Rembrandt geboren. In Amsterdam zag ik verleden week in het Bijbelmuseum de beroemde ets  ‘De predikende Christus’. Beroemd was de plaat al tijdens Rembrandts leven. Hij ging voor 100 gulden over de toonbank en dat was erg veel geld. Rembrandt heeft Christus afgebeeld zoals Mattheus hem in hoofdstuk 19 beschrijft: naast Jezus staat Petrus. Aan zijn voeten zijn zieken gelegd, op een draagbaar of kruiwagen. De biddende handen van een smekende man laten hun schaduw vallen op Jezus’ kleed. Enigszins op afstand houden de Farizeeën een vergadering. Een moeder brengt haar kind naar Jezus; een kind trekt zijn moeder met zich mee. Tussen de groep zit een jongeman. Hij staart dromerig voor zich uit. Zijn linkerhand ondersteunt zijn kin. Een denker, een student. Hij is de rijke jongeling. Hij voelt zich aangetrokken door Jezus’ vergezichten, maar hij komt niet los van zijn eigen situatie. ‘Voor een kameel is het makkelijker door het oog van een naald te kruipen...’ In de donkere hoek van de prent is een doorgang. Ze is niet al te breed en versperd door het volk. Daar staat een kameel. Je kunt zien dat Rembrandt nooit een levende kameel heeft gezien. Hij kent ze slechts van prenten. De kameel kan niet dichterbij komen. De berijder hangt berustend over de bult. Wie teveel meezeult is weinig mobiel.

ONVOLMAAKT

Jezus toehoorders zijn niet al te talrijk Nog geen veertig. Laten er nog eens twintig buiten beeld staan. Dan slaan wij hier in deze kerk nog geen gek figuur. De achterste toeschouwer is een wat corpulente heer. Ook een rijk man, maar geen jongen meer. Kan hij er ongeveer dertig zijn? Hij is in goeden doen. Een sjieke wandelstok houdt hij op de rug. Op zijn hoofd een brede hoed. Is het Rembrandt zelf?
Alleen de kinderen zijn in staat om zich ongeremd naar Jezus te begeven. De rijke niet. En die rijke zijn niet de anderen maar dat zijn we zelf.
En Jezus keek ons liefdevol aan. Hij ziet dat we niet volmaakt zijn. Hij ziet dat de prent van Rembrandt de honderdguldenprent wordt genoemd. Hij ziet onze blik mee dromen met Jezus’ visioen over een maaltijd voor alle volkeren. Hij ziet onze scepsis en hoe we krampachtig gebogen staan over de rug van onze dromedaris die we maar niet los durven laten. En hij heeft ons lief.

ALS JE...

Lieve kinderen.
Weet je wat Lieze tegen me zei? Ze moest erbij lachen en diep nadenken. Haar ogen werden spleetjes. Ze zei:
‘Als u nou eens elke morgen met goeje zin opstond..., en als u nou eens nooit anderen aan de kop zeurde...’
Lieze moest even nadenken en ik werd erg nieuwsgierig.
‘Ja wat dan?’ vroeg ik. Ze ging door.
‘En als u nou eens dolblij was met elke dag een bordje van hetzelfde eten...’
‘Hm’, ik was benieuwd.
‘En als u nou eens nooit een leugentje zou vertellen..., en als het u nou eens helemaal niks kon schelen of u blanke of zwarte, arme of rijke buren had..., en als u nou eens helemaal nooit de loterij wilde winnen..., en als u nou eens geen beurs met geld had, en niks op de bank...’
‘Ja, zeg het maar, wat dan?’ zei ik ongeduldig.
‘Nou, dan was u even aardig als mijn hondje!’