Een mislukte ontmoeting: Jezus en de rijke man (2006)

Jaren lang heb ik gedacht dat dit verhaal van de rijke man bedoeld was voor diegenen die priester wilde worden of kloosterling. Zo werd mij dit verhaal uitgelegd met daarbij de oproep: wil je echt Jezus volgen dan moet je afstand doen van alle bezit door de gelofte van armoede. Maar dat kan zeker de bedoeling van Marcus niet zijn geweest, want zo’n levenspatroon bestond nog niet. Het is een in veel opzichten merkwaardig verhaal bestemd voor elke christen. Wat is dan zo merkwaardig?

Allereerst de vraag van de man. Een vrome Jood stelde zich geen vraag over het ‘ervan van het eeuwig leven’. Hoogstens vind je in de Bijbel de uitdrukking ‘erven van het beloofde land’, maar vragen over ‘eeuwig leven’ werden alleen in heidens milieus gesteld en bedoelde iets heel anders dan wat de Bijbel bedoelt met ‘verrijzenis’. Daarbij moet opgemerkt dat het voor een vrome Jood voldoende was als men de Thora onderhield.

Want in die tijd bestond wel de gewoonte dat pelgrims optrokken naar Jeruzalem en als ze in de tempel aankwamen knielden ze neer om de Heer te loven en gingen ze vervolgens naar de priester met de vraag ‘wat moeten we doen om goed te leven?’. Daarop las de priester een stuk uit de Thora voor of een korte gebalde samenvatting ervan. Marcus heeft met andere woorden Joodse gebruiken vermengd met de Grieks-Romeinse vraag naar eeuwig leven. In dit verhaal wend zich een rijke man, al of niet Jood, niet tot de priester in de tempel, maar knielt hij voor Jezus en brengt Hem goddelijke eer. Ook Jezus geeft de man een samenvatting van de Wet.

Nog één detail dat voor mijn begrijpen van het verhaal van groot belang is. De man vraagt niet ‘wat men moet doen’ maar ‘wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven.’ Het gaat dus om een heel persoonlijke vraag van iemand die er alles voor over heeft om te leven volgens de Joodse godsdienst en die zich toch niet bevrijd voelt. Op dat ogenblik dat Jezus dit beseft, gebeurt er ook iets met Hem. Tot hier had Hij afstandelijk gereageerd (in de trant van: hemel mij niet op maar richt je tot God en doe wat is voorgeschreven). Ineens kijkt Hij vol liefde naar de man en ziet Hij wat er eigenlijk aan de hand is. De Wet heeft hem niet bevrijd. Volgens de Thora moest je aalmoezen geven als ondersteuning van je arme volksgenoten.

Jezus vraagt iets nieuw: Hij vraagt niet om nog meer te geven maar geeft de raad heel zijn bezit te verkopen, het aan de armen te geven en achter Hem aan te gaan als een bevrijd mens. Anders gezegd: door liefdevol naar de man te kijken doorzag Jezus waar hij vast zat, vandaar dit advies. Jezus vraagt tegen de mening van de rabbijnen in iets heel nieuw te proberen. Volgens de rabbijnen was het verkeerd om al je bezit weg te geven, want dan had men nog een armoezaaier meer.

Toen Diogenes zag hoe Krates leefde, was hij zo aangegrepen dat hij al zijn landerijen verkocht en het geld in zee gooide. Jezus zegt in de zuiverste Joodse traditie: geef je bezit aan de armen. Daarna zul je een zo grote innerlijke vrijheid voelen dat je gereed bent om Mij achterna te komen. Maar de man trekt zich ontgoocheld terug. Blijkbaar had Jezus precies ingeschat waar hij vast zat, maar was de vraag te groot. Spijtig dat we niets meer weten over het verdere leven van de man, want voortaan wist hij wel waar het om ging maar bleef hij in verscheurdheid achter.

Ik wil hierbij opmerken dat wat Jezus vraagt geen universele voorwaarde is. De man vroeg heel concreet ‘wat zou ik persoonlijk moeten doen’. Er zijn andere roepingverhalen waar Jezus een ander advies geeft. Bijvoorbeeld lezen we dat Simon en Andreas wel leerling worden maar hun huis behouden (1,29). Levi wordt alleen maar aangespoord zijn beroep te verlaten. Aan een ander die zijn vader wilde begraven zegt Jezus ‘laat de doden hun doden begraven’, enz. Anders gezegd: het gaat elke keer om een heel concreet gebeuren waarop Jezus concreet reageert. Hij vraagt niet in dezelfde lijn van vroeger meer te doen (meer aalmoezen, meer wetsgetrouwheid) maar iets nieuw te beginnen, een sprong voorwaarts te riskeren.

Trekt ik dus dit verhaal door naar vandaag dan is het niet alleen bestemd voor potentiële kloosterlingen maar voor ieder van ons. En de vraag is dan eerder: waar zit jij vast, wat belemmert jou om los te komen van een comfortabel leven, van alles wat een mens ketent aan zijn gewoonten, en hoe word je beschikbaar voor het Rijk van God. Wat wel waar is, is dat gehechtheid aan zijn bezit een belangrijke obstakel zijn, maar wellicht zijn er nog vele andere. Ook merken we allemaal dat het dikwijls de allerarmsten zijn die het meest gastvrij zijn, zoals ook onze pelgrim ondervond. Wie nauwelijks iets heeft, wie zich heeft losgemaakt van zijn verlangen naar hebben en meer hebben verwerft een grote innerlijke vrijheid. Zij worden niet alleen mooie mensen voor ons. Ook voor God zijn ze zijn allerliefste kinderen.

De vraag achter het verhaal is ruimer en gaat uiteindelijk over beschikbaarheid. Ben ik materieel maar ook geestelijk beschikbaar voor de uitnodiging die Jezus mij stelt. In welke mate kan en durf ik loskomen uit een vastgeroest patroon en maak ik mij beschikbaar voor die nieuwe tijd, dat nieuwe leven dat Jezus droomde over de mensheid? Misschien moeten we allemaal ons terugtrekken in onze binnenkamer en die vraag opnieuw in alle eerlijkheid stellen in de hoop dat Jezus ook ons liefdevol aanziet. Want uiteindelijk begint alle bekering of roeping met het moment dat Jezus vol liefde naar de mens kijkt en hem een tip geeft. Het ogenblik dat God zijn Geest wil geven, die op ons wil rusten. In dat opzicht vraag ik mij af wat zich in de Kerk aan het afspelen is. Stellen zich te weinig mensen de vraag ‘wat moet ik doen om goed te leven’ of heeft God zich van onze wereld afgekeerd en laat Hij ons maar ploeteren of zijn  structuren ervoor verantwoordelijk dat dit plotse, frisse, onverwachte ingaan op Jezus’ uitnodiging geen ruimte krijgt? Ik kan u enkel de vraag voorleggen.