Ik bad en inzicht werd mij geschonken (Wijsh. 7,7)

Wijsheid is kennis van jezelf en van de anderen.  De wijze staat, volgens de bijbel, open voor Gods inzichten.  Hij/zij wenst zijn/haar leven ernaar te richten.  In hun Klein Theologisch Woordenboek geven K. Rahner en Herbert Vorgrimler aan de wijsheid volgende betekenis: “Wijsheid betekent in het religieus spraakgebruik een grondstructuur van de zedelijk-religieuze kennis van de mens, tengevolge waarvan alles en iedereen altijd gekend wordt in de totaliteit van de door God geschapen werkelijkheid, vanuit God en in gerichtheid op Hem.”

Chesterton vroeg aan de Heer de moed om te veranderen wat hij kon veranderen; de kracht om te aanvaarden wat hij niet kon veranderen en vooral de wijsheid om het onderscheid tussen beide in te zien.

De gelovige is steeds onderweg.  Zeker de moderne christen.  Door de confrontatie met de wetenschap en door historische onderzoek, is het geloof ‘uitgezuiverd’, ontdaan van veel pasklare antwoorden.  De mens Christus met zijn angsten in de Hof van Olijven en op het kruis is veel dichter bij ons gekomen.  De opgave van de ‘naastenliefde’ is veel uitdagender geworden.  Het ‘eeuwige leven’ is mysterieuzer geworden nu de ‘hemel’ niet meer menselijk  kan worden voorgesteld.  De gelovige is meer dan ooit een pelgrim en een zoeker.  De humanist is zekerder van de dood dan de gelovige van zijn ‘heil’.  Het moderne geloof is van veel ‘illusies’ bevrijd.  Maar de gelovige is ondanks alles bij ‘zijn God’.  Die aanwezigheid dringt zich aan hem op, zo niet is hij geen gelovige” (H. Van Rompuy, Op zoek naar wijsheid, Davidsfonds, 2007, p. 40).

Slim is niet hetzelfde als wijs.  Wijsheid staat evenmin gelijk aan braafheid.  Wijsheid is meer dan rijkdom.  Een verhaal in de Talmoed gaat over een jonge man uit een Joods leerhuis.  Hij vaarde met handelaars mee in een schip.  Deze vroegen hem naar de koopwaren die hij bij zich had.  Hij antwoordde: “Mijn waren zijn waardevoller dan die van jullie.”  De handelaars onderzochten het schip naar zijn schatten, maar ze  vonden er geen en lachten de jonge man uit.  Piraten overvielen het schip en namen alles mee.  Uitgeschud kamen ze aan wal.  Ze hadden geen geld voor voedsel en geen middelen om zich kleren aan te schaffen.  De jongenman ging naar een leerhuis en mocht er de Tora uitleggen.  De mensen kwamen naar hem luisteren en namen hem op in hun kring.  Hij had niets te kort.  Toen de uitgeschudde kooplui dit zagen, kwamen ze naar hem opdat hij zou bemiddelen bij de bevolking zodat deze goed gestemd zou zijn voor de arm geworden kooplui.  De jongenman zorgde ervoor, maar liet hun toch verstaan dat wat hij op zee gezegd had, juist was: “Mijn handelswaren zijn van groter waarde dan die van jullie.  Jullie zijn jullie schatten kwijt.  Ik heb de mijne kunnen behouden.”  Het kwam omdat de HEER hem goede inzichten had gegeven.

Aan de wijze wordt afstandelijkheid verweten.  Marx klaagde de filosofen aan die de wereld goed konden interpreteren, maar die er niet in slaagden hem te veranderen. 

Wijsheid komt niet ineens.  De eerste stap naar wijsheid is stilte.  De tweede is luisteren.  De derde onthouden; de vierde oefenen en de vijfde is onderwijzen aan anderen.  Deze raad komt van Soloman Ibn Gabirol, Andalusisch, Hebreeuwse dichter en wijsgeer uit de elfde eeuw (Lieve Swinnen, Ziezozorgen in Kerk en Leven, 05.01.11).

Hier wordt echter de stap vergeten die de schrijver van het boek Wijsheid voorhoudt.  Wijsheid, je bidt er om.  Ik bid en inzicht werd mij geschonken.  “Ik kan een beslissing nemen of ik kan ze aanvaarden als mij geschonken”, zei een manager.  Een niet zo gebruikelijk uitspraak in die middens.

Wijsheid is inzicht in Gods ordening en de kracht vinden om er naar te leven.  Ze is een geschenk.  Je bidt ervoor.  De schrijver heeft in zijn boek Wijsheid het voorbeeld voor ogen van koning Salomo (1 Kon.3,5-15).  Salomo bad om wijsheid.  “Schenk uw dienaar een opmerkzame geest, zodat ik uw volk kan besturen en onderscheid kan maken tussen goed en kwaad” (1 Kon. 3,9).  Hij kreeg deze wijsheid met nog veel erbij.  In de bijbel is Gods zegening vaak materieel ingevuld.  Salomo is niet altijd wijs gebleven.  Hij ging zelfs andere goden vereren en was in zijn levenswijze geen voorbeeld voor zijn medeburgers, zijn onderdanen.

Vorig jaar op 22 september 2011 hield paus Benedictus XVI een toespraak in de Duitse Bondsdag.  Hij begon met het verhaal over Salomo en diens bede voor een luisterend hart en opmerkzame geest.  “Met dat Bijbelcitaat uit 1 Kon. 3,9 raakte de paus de kern van de politieke opdracht: politiek moet gericht zijn op gerechtigheid.  Ook al moet een politicus populariteit nastreven om iets te kunnen doen, toch moet persoonlijk succes ondergeschikt blijven aan de maatstaf van de gerechtigheid en aan de wil om recht te laten geschieden.  Niet evident in onze mediasamenleving” (Mark Van de Voorde, commentaar bij het pausbezoek, Rorate 1 oktober 2011).) 

Mochten Salomo en zijn hofhouding nu leven, ze zouden wellicht powerpointpresentaties opstellen en doorsturen.  Zo dikwijls krijgen we tips om gelukkig te zijn.  Wijsheid draagt bij tot geluk.  Maar het is nog niet door te beslissen dat we willen gelukkig zijn of dat we wijsheid wensen, dat wij wijs en gelukkig zijn. 

De samensteller van het boek Wijsheid zegt dat wij om wijsheid moeten bidden.  Christenen richten zich hiervoor tot Gods Geest.  Hij die ons komt bezoeken met zijn zevenvoudige gaven.  Wijsheid geldt als een van de zeven gaven van de Geest.  Wij vragen Hem dat wij het juiste zouden leren smaken (recta sapere) en er naar leven.  De man die naar Jezus kwam met de vraag wat hij moest doen om het eeuwig leven te verwerven, was een goed man op zoek naar wijsheid en geluk. Toch schrok hij ervoor terug om zich helemaal te geven. 

Het boek wijsheid spreekt niet enkel over wijsheid.  Het bevat ook dit mooi gebed om aan de HEER wijsheid te vragen (Wijsheid, 9,1-6,9-11): 

God van mijn voorouders, barmhartige Heer. U hebt door uw woord alles geschapen.
2 Door uw wijsheid hebt u de mens zo gemaakt dat hij over uw schepping zou heersen,
3 dat hij de wereld rechtvaardig zou regeren, in vertrouwen op u, en dat hij oprecht zou vonnissen.
4 Schenk mij de wijsheid die naast u troont, keur mij een plaats onder uw kinderen waardig.
5 Ik ben immers slechts uw dienaar, de zoon van uw dienares. Ik ben een zwak mens, met een korte levensduur en een beperkt inzicht in recht en wetten.
6 Maar zelfs als iemand een volmaakt mens zou zijn, dan nog is hij niets waard wanneer hij van uw wijsheid verstoken blijft. 
 
9 Bij u is de wijsheid, die uw werken kent en die erbij was toen u de wereld schiep. Zij weet wat u goedkeurt en wat met uw geboden in overeenstemming is.
10 Zend haar hierheen vanuit de heilige hemel, van bij uw luisterrijke troon, om mij met raad en daad bij te staan, opdat ik weet wat u goed vindt.
11 Zij weet en doorziet immers alles. Ze zal mij bedachtzaam leiden in mijn handelen, met haar luister zal zij mij behoede
n” (Wijsh. 9,1-6. 9-11).
 

)