Laat uw verslaafdheden los en volgt Mij!

28e zondag door het jaar       Cyclus B                                                                     Wijsheid 7, 7-11                                                                                                                                  Marcus 10, 17-27

 

Laat uw verslaafdheden los en volgt Mij!

 

 

Beste vrienden,

 

Er gaat tegenwoordig bijna geen dag meer voorbij waarop de excessieve rijkdom van sommige sportlui en de overdreven bonussen van bankiers en bedrijfsleiders niet in het middelpunt van de belangstelling staan – en , ik moet eerlijk bekennen dat ik me daar soms ook erg over kan opwinden.  

Al die lonen en bonussen van CEO’s en managers kunnen uit de dagelijkse gesprekken en krantenkoppen bijna niet meer worden weggedacht. Misschien wel omdat men duidelijk aanvoelt dat de kloof tussen arm en rijk in onze maatschappij en in de ganse wereld steeds meer toeneemt.  De ongerechtigheid in onze wereld maakt dat we  emotioneel reageren, alhoewel wij zelf nu toch echt niet tot de armen in die wereld kunnen worden gerekend. En daarbij staat buiten kijf dat wij zelf ook nog altijd wel wat meer zouden willen hebben. Anders kan men de hysterie toch niet verklaren met dewelke al die miljoenen Lotto spelers staan aan te schuiven voor een poging om de soms enorm grote Jackpot te kraken. Maar ook hier is het altijd weer zo dat slechts zeer weinigen, of zelfs maar één enkeling, in het genot van zeer veel komt. De grote massa moet zich troosten met uitspraken zoals: „Je lijkwade heeft toch geen zakken“ of ook met het woord van Jezus van vandaag: „een kameel komt gemakkelijker door het oog van een naald dan een rijke in het koninkrijk van God”.  

A propos: Hoe krijgt ge een kameel door het oog van een naald? Er zijn toch maar twee mogelijkheden: ofwel maakt ge de kameel kleiner ofwel het oog van de naald groter. En dat is nu juist wat ik in de commentaren op dit Bijbelwoord telkens weer vind. Daar zeggen de exegeten dat het hier om een verkeerde vertaling gaat. dat het gebruikte Aramese woord niet Kameel, maar wel “dik touw” betekent. En dan is er plots geen kameel meer die door het oog van de naald moet, maar nog maar alleen een dik touw – alhoewel dat er ook niet door kan, hoe hard ge er ook over discuteert. Een andere exegeet schuift een variante naar voren. Hij beweert dat er in het Jeruzalem van toen een kleine stadspoort bestond die in de volksmond „oog van de naald“ werd genoemd. Deze stadspoort zou zo klein geweest zijn dat een kameel daar nooit door had gekund – en daarom zou Jezus dat beeld gebruikt hebben.   

Hoe dan ook – of het nu gaat om een stadspoort, een kameel of een zwaar touw – met al die verklaringen  zijn we nog geen stap vooruit. Want onze kameel kan niet door de poort en ons touw niet door het oog van de naald.   

Maar daar gaat het ook niet om – net zo min als het Jezus in deze Bijbeltekst om rijkdom gaat. Ik ben er zeker van dat Jezus noch het geld, noch het bezit veroordeelt. Hij zelf leefde tenslotte ook van het geld van anderen en werd door anderen financieel ondersteund.  Wat hij hier aanklaagt is veeleer de manier waarop er met geld, rijkdom en bezit wordt omgegaan.  En dan komen we hier bij een sleutelwoord van het spirituele leven: “Loslaten”. Om dit woord gaat het in de discussie tussen Jezus en de rijke jongeman, die van zichzelf tenminste eerlijk kon zeggen – en wie van ons zou dat werkelijk kunnen? -   dat hij zich altijd aan Gods geboden had gehouden.   
Dat loslaten in de spirituele zin van het woord is de bekwaamheid om alles in de wereld doelmatig te gebruiken, en bijkomstigheden niet tot hoofdzaken te bevorderen.   En dat was nu net het pijnlijke punt bij de rijke jongeman uit het evangelie: hij was verliefd op zijn vermogen. Dat vermogen was voor hem zo belangrijk geworden, en hij was er zodanig door gefixeerd, dat hij het niet meer kon loslaten.   En het tegendeel van loslaten is de verslaafdheid. Jezus legt bij deze jongeman een houding van verslaafdheid bloot, waardoor deze zelfs niet van zijn rijkdom kan genieten. Verslaafdheid, van gelijk welke aard, maakt mensen altijd tot gevangenen en niet tot genieters. 

Ook iemand die zeer weinig bezit, kan zich zodanig aan zijn bezit vastklampen, dat hij zich met muren omgeeft en de volheid van zijn leven niet meer kan waarnemen noch ervan genieten.  

Die spirituele impuls om los te laten wil echter niet zeggen dat we onze rijkdom over de balk moeten gooien; daarmee zouden we de anderen maar zeer korte tijd kunnen helpen. Het gaat hier om een innerlijke houding en ook om gerechtigheid.  Het gaat om evenwichtigheid, nuchtere eerlijkheid en vooral, om een grote portie liefde. En vermoedelijk was het juist dat wat de jongeman uit het evangelie niet kon opbrengen toen Jezus hem de weg had gewezen.  Let wel: de weg van die rijke jongeman, niet de weg van alle rijken in deze wereld!  

En hoe ga ik nu om met datgene wat ik bezit? Hoe ga ik om met datgene wat ik misschien te veel heb, datgene wat ik als de hoofdzaak in mijn leven aanzie, in plaats van het gewoon te zien als datgene wat het is?  Iets dat ik wel kan gebruiken, maar niet mag misbruiken!    Tussen hebben en hebzucht ligt een hemelsbreed verschil, net zoals tussen genieten en verslaafd zijn. We kennen toch allemaal wel een vorm van de slogan die werd uitgevonden omdat we ons aan dat loslaten, dat ons spiritueel hindert, willen onttrekken. Het is het gezegde: „Je mag toch wel iets hebben!“ Wanneer ik met iemand praat, die met die uitdrukking op de lippen een nieuwe auto koopt, zijn woning totaal opnieuw inricht of zelfs maar een glas wijn drinkt, dan merk ik doorgaans zeer vlug dat hij zich doorgaans toch veel meer veroorlooft dan waar hij nu juist over spreekt.  

Een beduidende stap naar het “loslaten” is voor mij de bekwaamheid tot zelfkritiek. een zelfkritiek die niet altijd weer naar uitvluchten zoekt, maar die eenvoudig vaststelt wat goed is voor de geestelijke gezondheid en voor de innerlijke vrijheid.   Daar wil die raad tot loslaten ons naartoe brengen. En daarbij gaat het helemaal niet altijd om geld en rijkdom, maar om de vrijheid van al die kluisters die ons door geld en rijkdom, maar ook nog door zo veel andere dingen in deze wereld, worden aangelegd. En misschien vraagt u zich nu , net zoals de leerlingen van Jezus, af: “Kan er dan nog wel iemand worden gered?”  

„Voor God is niets onmogelijk!“, is het antwoord van Jezus. En daarmee maakt Hij duidelijk dat Hij zeer wel beseft dat wij, mensen, het niet zonder materiele dingen kunnen stellen, en dat het voor ons ook belangrijk is om in ons leven een doel en vooruitzichten te hebben.  Maar al die dingen mogen ons niet zodanig bezig houden dat we uit het oog verliezen wat ons naar het rijk Gods leidt.   

Mee bouwen aan dat rijk van God, dat moet ons doel zijn wanneer we over het navolgen van Christus en over Christen zijn spreken. En wie met dat doel voor ogen kan loslaten, en niet meer voortdurend en uitsluitend meer denkt aan het werk, aan geld en bezit, aan genot, hobby of aan het komende verlof, die begint reeds aan het “loslaten” en aan het navolgen van Jezus.   

Jezus kent ons en onze zwakheden. Hij houdt van ons, en daarom verlangt Hij soms ook dingen van ons die ons niet gemakkelijk vallen.  Dat “loslaten”, dat gebeurt niet van vandaag op morgen. Maar daarom hoeven we toch ook niet direct op te geven, weg te gaan en te zeggen: “dat is niets voor mij”. Jezus kijkt ons, u en mij, vol liefde aan en acht ons in staat om los te laten, omdat Hij weet hoezeer dat Rijk Gods ons aan het hart ligt.   Hij geeft het ons cadeau, maar wij zullen het pas herkennen wanneer we zijn denken en handelen tot ons denken en handelen maken. Amen.