Als het goede maar gebeurt (2009)

Johannes zit gewrongen omdat iemand van buiten de club demonen uitdrijft in Jezus' naam. Hij weet geen weg met die outsider, die goede werken doet.

De reactie van Johannes in naam van de groep leerlingen is minder fraai.  Ze waren immers zelf niet in staat om de bezetene epilepticus te genezen, dat lezen we in enkele vroegere verzen (Mc 9,14-29):  "Jezus gebood dan zelf de onreine geest uit de jongen weg te gaan. Hij vatte de jongen bij de hand en richtte hem op". Enkele verzen daarna komt de reactie van Johannes over die vreemde die in Jezus' naam demonen uitdrijft.

Wij mogen van onszelf denken dat wij de beste zijn. Wij mogen daarom iemand anders niet kleineren en hem de kans ontnemen om op zijn wijze goed te doen.  We kunnen immers altijd van anderen leren en bovendien bewijst het dat het niet noodzakelijk binnen kerkelijke structuren is dat profeten opstaan en ons proberen de ogen te openen.
Ogen openen heeft dikwijls te maken met het leven eens van een ander gezichtspunt te bekijken of een schok krijgen om wat ongemerkt om je heen gebeurt. Ieder mens kan zo onverwacht voor een ander profetisch zijn als hij de gave bezit je de ogen te openen of je enthousiast voor iets te krijgen.

Mozes gaf een heel wijs antwoord, wanneer een jongen hem kwam vertellen dat Eldad en Medad profeteerden. Deze waren immers niet in de tent, toen God over de zeventig oudsten was neergedaald.  Mozes sprak geen verbod uit over die twee mannen, maar zei: "Legde de HEER zijn geest maar op heel het volk!  Profeteerde iedereen maar!' (Num. 11,24-29).

Misschien was Jezus wel beïnvloed door dit oudtestamentisch voorbeeld als hij aan Johannes antwoordt: "Wie niet tegen ons is, is voor ons."  De man die in Jezus' naam duivels uitdrijft, pleegt geen misbruik.

In heel Jezus' prediking, in al zijn handelen gaat het steeds om de zorg en aandacht voor de medemens, met name voor de kleine, de zwakke, de weerloze, de verdrukte. Zijn blijde boodschap gaat heel concreet om goed doen, goed zijn voor anderen: een beker water, een woord van troost, een helpende hand, voor een zieke mens, voor een verdrietige mens, voor wie dan ook.

Er is een tijd geweest dat katholieken dachten dat zij alleen in de hemel konden komen, denk maar aan de tijd van de donderpreken, zo'n 50 jaar geleden.
In die tijd gebeurde het in een Brabants dorp dat de dokter kwam te overlijden. De man was zeer geliefd en graag gezien, dag en nacht stond hij voor z'n patiënten klaar. Er mankeerde maar één ding aan hem: hij was niet katholiek, hij geloofde nergens in.
En de mensen in het dorp treurden en zeiden: zo'n goeie mens, wat verschrikkelijk toch dat hij niet in de hemel kan komen.
Maar de oude pastoor, een wijs man, ergens zijn tijd ver vooruit, zei: maak je maar geen zorgen: die zit vast en zeker heel hoog in de hemel. Hij droeg wel niet de naam van Jezus, maar Jezus heeft ongetwijfeld zichzelf in hem herkend.

Het gaat er dus niet zozeer om wie of wat je bent, het gaat er niet om bij welke club, vereniging of werkgroep je hoort, of wat jouw politieke, culturele of godsdienstige achtergrond is: als Jezus zich maar in jou herkennen kan, uiteindelijk is dat het allerbelangrijkste. En hij zal zichzelf alleen herkennen in het goede dat we doen voor elkaar.

Wij zouden allemaal profeten moeten worden, met een open geest, visionair. Profeten zijn diep bewogen mensen, ze nemen verantwoordelijkheid op voor hun medemens, ze worden gegrepen door onrecht dat gebeurt, zij willen op de eerste plaats zelf er iets aan veranderen in de hoop anderen mee te motiveren.
Dikwijls zijn profeten "ambetanterikken". Waarom?
Omdat ze ons wijzen op wat wij niet in het oog hadden, waar wij in ons egoïsme of kortzichtigheid vastzitten en waar wij soms de goedheid, bekwaamheden en talenten van anderen niet zien.

Maar profeten hebben ook een kritische geest tegenover courante opvattingen of kerkelijke en maatschappelijke structuren en durven een standpunt innemen dat origineel en gedurfd is.

Het is vandaag ook nog mediazondag. Wat een revelatie zou het zijn als we daar als profeten eens wat meer aan bod kwamen. Op loffelijke uitzonderingen na komen we bijvoorbeeld bitter weinig aan bod op de televisie, hoe dan ook een sterk en belangrijk medium, niet in het minst voor de minder mobiele mensen. Geschikte uitzenduren of nog beter een eigen zender als ruggensteun voor een kerkgemeenschap van profeten, open voor iedereen en zo transparant als onze glasramen. Zal dat een droom blijven?

 

Met dank aan Antoine Rubbens, Marcel Braekers, Henk Tolboom