Eenentwintigste zondag door het jaar (2009)

"Toen zij dit hoorden, zeiden velen van zijn leerlingen: deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie is nog in staat naar Hem te luisteren? ... Tengevolge hiervan trokken velen van zijn leerlingen zich terug en verlieten zijn gezelschap." De grote massa is afgevallen en uit de kleinere kring van zijn leerlingen hebben eveneens velen Jezus' gezelschap verlaten. Er blijven er nog twaalf over. Van die twaalf mag er eigenlijk geen ontbreken, omdat zij met hun twaalven de kern van het nieuwe godsvolk uitmaken. Alleen met hun twaalven zijn ze iets, twaalf, of helemaal niemand. Toen zij daar met hun twaalven waren overgebleven, stelde Jezus hun de vraag: "Wilt ook gij soms heengaan?"

Stel je voor dat de pastoor zou zeggen: 'We hebben nu al zoveel gelovigen de Kerk zien verlaten, laten we de overgeblevenen nu eens voor de keus plaatsen. Er zijn langzamerhand meer kerkverlaters dan kerkgangers. Laten we nu, om te voorkomen dat ook deze kerkgangers, die altijd trouw zijn geweest, geruisloos afvallen, ze voor de keus stellen.' Zoals Jozua het volk Israël voor de keus stelde op het moment dat ze het beloofde land zouden binnentrekken. Ze zouden worden blootgesteld aan de verleiding zich aan te passen aan de gevestigde godsdiensten, zoals de gelovigen van nu worden blootgesteld aan de verleiding zich aan te passen aan de consumptiemaatschappij. Zoals de Joden voor de keus geplaatst werden trouw te zijn aan het verbond of zich aan de andere godsdiensten aan te passen, zo worden de gelovigen van nu voor de keus gesteld zich aan te passen aan de 'moet-toch-kunnen-maatschappij' of trouw te blijven aan de Kerk.

Mensen nemen aanstoot aan de strenge eisen en de onbuigzaamheid van de Kerk. 'Wat verbeeldt die Kerk zich eigenlijk wel? Wij maken zelf wel uit hoe we moeten leven, ik heb toch mijn eigen geweten, ik kan zelf wel uitmaken wat goed en kwaad is!'
Aanstoot nemen gebeurt zo gemakkelijk. De Joden vroegen zich af: "Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, en kennen wij zijn vader en moeder niet? Hoe kan Hij dan zeggen: Ik ben uit de hemel neergedaald?" (Joh 6,42). Zo vragen de mensen zich vandaag de dag af: 'hoe zou de priester durven zeggen hoe wij moeten leven - weet hij soms meer dan wij? Waar haalt de Kerk de pretentie vandaan dat zij het over ons te zeggen wil hebben?!' Het antwoord luidt: de Kerk is helemaal menselijk en bestaat uit gewoon mensenwerk, mensenwijsheid, net zoals Jezus helemaal mens was. Maar de Kerk is ook, net als Jezus, helemaal van God, en het brood dat hier gegeven wordt, is hemels brood. Het is het brood van God. Het is niet afhankelijk van de maatschappelijke kracht van de Kerk, of zij politiek een vuist kan maken of dat zij cultureel veel te betekenen heeft, dat zij daarom aanspraken kan doen gelden. Het is steeds hetzelfde geheim, hetzelfde schandaal: iets aards, brood, wordt drager van iets bovenaards. Jezus is de zoon van Jozef en Maria én de Zoon van de Vader. Hij is het brood uit de hemel. Hij keert zelfs naar de hemel terug. De Kerk, het huwelijk, dragers van menselijke gevoelens, worden dragers van Jezus' gevoelens: "Hij heeft Zich voor haar overgeleverd" (Ef 5,25).

De Joden worden bij de intocht in het beloofde land voor de keuze gesteld: 'Wat willen jullie nu eigenlijk? Welke goden willen jullie nu eigenlijk dienen? De goden die onze voorvaderen hebben gediend aan de overkant van de rivier, de goden van Abraham en zijn familie, die hij eraan gegeven heeft, toen hij een stem vernam van een andere God: "Trek weg uit uw land, uw stam, uw familie naar het land, dat Ik u zal aanwijzen" (Gen 12,1). Kiezen jullie voor de goden van het land waarin jullie nu wonen, de goden van de Amorieten, of willen jullie de Heer blijven dienen?'

Ook Jezus stelt zijn leerlingen voor een keuze. Hij heeft hen gekozen, maar kiezen zij ook Hem? Dat was blijkbaar nodig: het was zo mooi begonnen: een grote menigte kwam naar Hem toe, voor tweehonderd denariën brood, tweehonderd daglonen, was nog niet genoeg, wilde iedereen ook maar een klein stukje krijgen. "Vijf gerstebroden en twee vissen: wat is dat voor zo'n aantal!" (Joh 6,9).

Zo'n grote menigte dat je kunt spreken van een complete volksbeweging. Ze voelden zich met z'n allen sterk genoeg om de basis te leggen voor een compleet koninkrijk, zoiets als een rijk rooms leven - een door en door christelijke maatschappij, met door de Kerk geïnspireerde scholen, universiteiten, ziekenhuizen, bejaardenhuizen, zwakzinnigenzorg, een hele boom, hoog en wijdvertakt van door het evangelie geïnspireerde instellingen, tot en met een katholieke partij, een katholieke vakbond, katholieke kranten, tijdschriften en een katholieke radio omroep. Ook aan ons zou een zelfde verwijt gemaakt kunnen worden als Jezus de Joden maakte: "Niet omdat gij tekenen gezien hebt, zoekt ge Mij, maar omdat gij van de broden hebt gegeten tot uw honger was gestild. Werkt niet voor het voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft ten eeuwigen leven en dat de Mensenzoon u zal geven" (Joh 6,27). Niet het brood dat de magen vult, niet allerlei vormen van maatschappelijke zorg, welzijn, emancipatie, hoe nodig ook.

Ook al is dat de eerste dringende eis van het evangelie, het is niet de kern van Jezus' boodschap: "Werkt niet voor het voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft ten eeuwigen leven en dat de Mensenzoon u zal geven ... dit is het werk dat God van u vraagt: te geloven in Degene, die Hij gezonden heeft ..." (Joh 6,29). Het brood van God, dat uit de hemel neerdaalt en leven geeft aan de wereld, dat brood waarvan Jezus gezegd heeft: "Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt, zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst krijgen" (Joh 6,35).