Een weerloos aanbod (2009)

Vlak na het mislukte optreden van Jezus in zijn vaderstad volgt de zending van de twaalf uitverkoren leerlingen met de opdracht de Blijde Boodschap uit te dragen. Dat Marcus als eindredacteur deze twee verhalen direct na elkaar plaatst is op zijn minst merkwaardig. Was de zending een reactie op de mislukking of wilde Marcus aan de missionarissen van zijn tijd duidelijk maken dat ook hun zending niet over rozen zou lopen? Anderzijds blijft onder specialisten de discussie gaande of Jezus zelf dit initiatief heeft genomen en reeds aan een wereldwijde komst van Gods koninkrijk dacht. Of was het de eerste gemeente en vooral de figuur van Paulus die de idee van missionering uitwerkten?

Waarom kende en kent het christendom de opdracht van missionering? Misschien is het te gemakkelijk om onmiddellijk te verwijzen naar de opdracht van Jezus zelf. We moeten ons daarover blijven verwonderen, want het christendom is gegroeid vanuit het Jodendom waarvoor missionering vreemd was (en is). Hun godsdienst was vergroeid met het besef het uitverkoren volk te zijn. Daarbij was hun religieuze beleving helemaal verankerd in het strikt naleven van de Wet, wat buitenstaanders meestal afschrikte.

Deze bedenkingen maak ik maar om erop te wijzen dat dit eenvoudige verhaal van de zending van de twaalf veel verder reikt dan wat er staat beschreven. Er moet een revolutie hebben plaats gehad waardoor de religieuze identiteit van het Jodendom van binnenuit werd open gebroken. Alle voorschriften, de rabbijnse commentaren op de Wet, de commentaren op de commentaren werden gereduceerd tot dat eenvoudige gebod van de liefde. Liefde tot in haar uiterste consequenties: God beminnen met hart en ziel en de naaste, ook de vijand, beminnen als zichzelf (of: om zichzelf, zoals sommigen vertalen). In plaats van de voorgeschreven offerrituelen bleef alleen de agapè-maaltijd over. Niet de uiterlijk lichamelijke besnijdenis, maar de besnijdenis van het hart werd het criterium. Wat de twaalf en de latere zendelingen moesten verkondigen was de radicaal nieuwe beleving, die reeds door Jezus was verwoord. Dat namelijk heel de werkelijkheid, heel de wereld en alle mensen gedragen worden door een onvoorwaardelijk op het leven bedachte God. De raadgevingen over kledij, uitrusting en manier van optreden moeten vanuit die achtergrond worden begrepen. De predikant moet immers in zijn gedrag symbolisch uitdrukken wat hij straks inhoudelijk zal verwoorden. De zendeling mag dus geen extra eten meenemen, zelfs geen tas om te bedelen. Geen extra kleding, enkel een stok om agressieve honden af te houden of zich te verdedigen tegen struikrovers. Bij Matteüs en Lucas is zelfs die stok verboden en zij gaan daarbij terug op de Q-bron, het oudste tekstfragment van het evangelie.

Waarom deze voorschriften? De predikant moet in zijn voorkomen, zijn gedrag en zijn spreken uitdrukking geven aan de weerloosheid, die de kern vormt van de Blijde Boodschap. Daarbij moet een predikant leven en spreken vanuit een diep Godsvertrouwen, anders zal hij in moeilijke omstandigheden niet overeind blijven. Maar bovenal is hij via zijn persoon gestalte van de Blijde Boodschap. Veel belangrijke figuren zoals Franciscus en Dominicus, maar ook belangrijke hedendaagse profeten hebben dit begrepen.

Naar mijn mening schuilt in dat laatste de boodschap voor deze tijd. Predikanten van dienst zijn erom bekommerd dat hun boodschap overkomt. Men zoekt naar een fraaie verwoording, gebruikt allerlei hulpmiddelen om de aandacht van zijn kritisch publiek gaande te houden. Waarom niet? Maar de tekst van vandaag stelt mij als prediker (en ons allemaal als getuigen) de vraag of hetgeen ik zeg en de manier waarop ik me gedraag een uitdrukking is van het weerloze aanbod van de Blijde Boodschap. Als mijn spreken niet gedragen wordt door die onverwoestbare liefde ben ik niet meer dan een dreunende gong of een schelle cimbel, om het met de woorden van Paulus te zeggen.

Fundamenteel gaat het om een heel eenvoudige boodschap: de liefde van God voor de mens, van mensen onderling, los van staat en stand, van huidskleur of achtergrond. Maar deze eenvoudige boodschap is aartsmoeilijk in haar concrete beleving en stuit reeds twintig eeuwen op heftig verzet. Nu eens is ze de aanzet om in tederheid met elkaar verbonden te zijn, dan weer is ze een schreeuw om gerechtigheid of een oproep tot vrede. Een predikant zal daarom net als Jezus weerstand oproepen, maar hij moet, onbezorgd om zichzelf, onbezorgd ‘hoe te spreken' met heel zijn persoon uitdrukken dat elk leven gedragen worden door een diepe kracht van verbondenheid. Dat is belangrijker dan alle welsprekendheid.