Evangelieprikje 2015

Hoe breng je het onuitspreekbare ter sprake? Er zijn mensen die vinden dat we er beter over zwijgen omdat we er toch nooit zullen in slagen dat wat onitspreekbaar is op voldoende wijze te verwoorden. Dat kan waar zijn, maar hoe kun je zwijgen over iets waar je zo vol van bent dat het je kracht ten leven is? Als ik de evangelies lees, lees ik een verhaal van een man die zo vol was van God dat Hij waarschijnlijk niet anders kon dan er over te spreken en er naar te leven. Waneer Hij over het Rijk Gods sprak, deed Hij dat met gelijkenissen. Vertrouwde beelden uit het dagelijks leven moesten dan een tipje van de sluier oplichten over dat Rijk Gods. In het korte evangelie van vandaag geeft Jezus ons twee gelijkenissen mee. Het zijn twee gelijkenissen waar we bijzonder blij mogen mee zijn want ze spreken over vertrouwen maar leren ons terzelfdertijd – in deze seculiere tijden – wat te relativeren.

In de eerste gelijkenis wordt de verkondiger van het Rijk Gods vergeleken met een zaaier. Hij zaait en het zaad ontkiemt en groeit, zonder dat hij weet hoe. Met andere woorden: of het groeit of hoe het groeit, is iets wat de zaaier niet in handen heeft. Wij als christenen van deze tijd mogen ons zeker aangesproken voelen door deze gelijkenis. Uiteraard wordt er van ons verwacht dat we de Blijde Boodschap verkondigen en dat we dat met de nodige zorg doen. Wat er daarna mee gebeurt, hebben we niet meer in de hand. De Blijde Boodschap verkondigen brengt zelden meetbaar resultaat op. Dat is in de meeste gevallen niet onze schuld. Dat de kerken vandaag leeg lopen, is niet alleen de schuld van de zaaiers. Misschien maakt de maatschappij de grond voor dit zaad onvruchtbaar, misschien is de grond  te hard geworden om zaadjes te ontvangen. Misschien zit het klimaat niet mee ... Het enige wat we kunnen doen is het blijven zaaien. En we moeten dat blijven doen omdat we zelf overtuigd zijn van de kracht en de schoonheid die dit zaad kan doen ontspringen in een mensenleven. We doen het dus uit een zekere dankbaarheid, nooit omdat we zelf met de eer zouden kunnen gaan lopen dat we iets verwezenlijkt hebben. Wie zo de Blijde Boodschap probeert te verkondigen, zal uiteindelijk enkel goed nieuws zijn voor zichzelf. Maar de Blijde Boodschap is wezenlijk niet alleen voor jou maar ook voor anderen goed nieuws.

De tweede vergelijking is zeer mooi, maar is ze nog van deze tijd? Het is natuurlijk zo dat de Blijde Boodschap seriuze mosterdbomen heeft voortgebracht, maar is dat nu niet veel minder? Ons land kent heel wat instellingen die zich christelijk geïnspireerd noemen omdat ze ooit gesticht zijn door sociaal geëngageerde christenen. Die christelijke zuil is er nog altijd in naam maar hoe christelijk ze nog is, valt moeilijk te meten. Maar misschien zocht Jezus het dan ook niet zo ver. Misschien gaat de vergelijking meer over het dagdagelijkse leven waar het verschil tussen gelovigen en niet-gelovigen vak schuilgaat in zeer kleine, eenvoudige dingen. Maar we weten allemaal dat deze kleine, eenvoudige dingen soms een groot verschil kunnen maken.  Als je dagdagelijks die heel concrete dingen toepast, dan ontwikkel je een bepaald levensstijl. Christenen die proberen het op te nemen voor de gekwetste mens van vandaag of de uitgestotene worden vaak mensen waarin men veel vertrouwen heeft. Dat vertrouwen kan zo groot zijn dat die bepaalde mens aanvoelt als een veilige haven, iemand bij wie ze altijd terecht kunnen.

Twee gelijkenissen geeft Jezus ons vandaag mee, twee gelijkenissen die ons eigenlijk vertellen dat het Rijk Gods niet iets buitensporig is. Jezus vraagt geen supermensen om Zijn Blijde Boodschap te verkondigen, iedereen kan het gestalte geven in zijn eigen concrete leven. Belangrijk is wel dat diegenen die verkondigen zelf leven en kracht kunnen putten uit die Blijde Boodschap. Het begint dus allemaal bij vertrouwen, geloven in de verrezen Heer. Wie vanuit dit vertrouwen met woord en daad de Blijde Boodschap verkondigt, is op de goede weg. Hij laat zich niet tegenhouden als de wind eens wat tegen zit, want hij weet dat hij slechts instrument is, we kunnen maar zaaien. En bij het zaaien zijn er zoveel dingen die we niet in de hand hebben; Laten we alles wat we niet in de hand hebben in Gods handen leggen, Hij weet uiteindelijk wel wat Hij er moet mee doen.