Van de engel horen we hoe alles in Maria genade geweest is vanaf het begin van haar bestaan: 'Verheug u, die begenadigd geweest zijt'! Gij hebt u aan die genade overgegeven, zij heeft u doortrokken, gij hebt u door haar laten omvormen, heel uw hart hebt ge op God gericht, gij zijt van zijn heiligheid doordrongen. 'De Heer is met u'
Wie dit laatste woord hoort en de Schriften kent, móét wel ontsteld zijn. Tot Mozes is gezegd 'De Heer is met u', en hij moest zijn volk uit Egypte leiden en naar het beloofde land voeren. Tot Gideon, de rechter, is gezegd 'De Heer is met u!', en hij moest zijn volk bevrijden van de aartsvijand Midjan. Wie de groet 'De Heer is met u' hoort, weet dat hem een zware taak te wachten staat. Maria ook, 'schrok van dat woord en vroeg zich af wat die groet toch wel kon betekenen Welke taak zou háár worden opgedragen? Welke dienst voor het volk wou de Heer háár vragen? Wat kon zij, kleine maagd, voor haar volk gaan doen?
Gabriël, de engel, stelt Maria gerust. 'Vrees niet, Maria, want gij hebt genade gevonden bij God'. Ook dat woord hebben de leiders van het Godsvolk vóór haar gehoord. Niemand krijgt van God een opdracht zonder ook zijn bemoediging te horen en de verzekering van zijn hulp en steun.
De Onbevlekt Ontvangene, die haar genade bewaard, gekoesterd en ontwikkeld heeft, heeft zo gratie gevonden in Gods ogen. Zij zal een kindje krijgen, dat zal opgroeien om de Messias te worden van zijn volk. Zij, de onbevlekte, zal de Moeder van de Messias zijn en God zal met haar zijn in deze moeilijke taak.
Maria wéét dat die taak moeilijk moet zijn. Zij heeft zich helemaal aan God gewijd: van bij het begin lijkt alles eigenlijk onmogelijk. 'Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken'? 'Voor God is niets onmogelijk', antwoordt de engel. Wat voor de onvruchtbare Elisabet onmogelijk leek, is tóch waar geworden. Maria's nicht is in haar zesde maand. Maria's wijding blijft genade vinden in Gods ogen. Als Heilige Geest zal Hij zelf over haar komen en haar kind, de Messias, zal zijn eigen Zoon zijn. Voor wie de ogen en het hart op God gericht houdt, is alles mogelijk.
Maria, Godgewijd, wordt de Moeder van de Messias en zo wordt zij ons aller Moeder, Moeder van het Messiaanse volk. Allen hebben we iets van haar ontvangen. Zoals zij kunnen we allen onze taak aan, hebben we allen onze eigen genade ontvangen, kunnen we allen onze eigen genade bewaren en ontwikkelen, kunnen we allen zo genade vinden in Gods ogen, kunnen we allen onmogelijke dingen aan.
Laten we, met in ons hart de genade ons gegeven, ons op Kerstmis voorbereiden, een nieuw jaar tegemoet van verbondenheid met God en de kracht van de Allerhoogste in ons, om onze taak te vervullen in de Kerk. Laten we 'eer' brengen 'aan God in den hoge en vrede op aarde aan de mensen die Hij lief heeft'.
God weet dat dat voor ons onmogelijk is, maar Hij vraagt dat we zouden bereid zijn en waar Hij een hart bereid en verlangend vindt, daar doet Hij het, in ons, en met en door ons. Zo ook kon koning David Hem geen huis bouwen, maar Hij vond hem bereid en verlangend het te doen, niettegenstaande al zijn zonden en gruwelen. Zélf heeft Hij Davids plan een huis te bouwen uitgewerkt, uiteindelijk in Maria. Hij heeft het Messiaanse huis gebouwd. 'Aan zijn rijk zal geen einde komen'. Gezegend zij Maria, Maagd en Moeder Gods. Gezegend allen die Gods genade in zich laten werken. Aan die genade in hun leven zal geen einde komen.