5de zondag van de vasten A (2014)

Dood en leven. Dat is het waar de lezingen vandaag over gaan. De tussenpsalm legt de band tussen zonde en dood, de verwijdering van God. Als Gij zonden blijft gedenken, Heer, wie houdt dan stand?

Vandaag stelt Jezus een teken, een profetisch teken om te tonen dat Hij, de Zoon, Heer is van het leven en dus ook heerst over de dood. En net als de mensen toen om Hem heen is het voor ons de kunst om zijn teken te verstaan. Door de lezingen van vandaag heen klinkt de vraag: “Wat is leven en wat is dood?” Hoe kijken wij naar dood en hoe kijken wij naar leven? Is leven een automatisme, een aangeboren kracht of moet je leren leven? Is leven een kunst? Is er verschil tussen het leven van planten en dieren en mensen?

Door de wetenschappelijke benadering van het leven in onze tijd en de grote ontdekkingen, de groeiende mogelijkheden om in de biologische sfeer allerlei levensvormen te manipuleren, raakt de natuur onttoverd, ontmythologiseerd. We kijken ook als leken, steeds vaker met de ogen van de wetenschap en vergeten ons te verwonderen. Moderne mensen stellen zich de natuur steeds vaker voor als enorme reageerbuis, een gigantisch laboratorium. Onze generaties proberen de trucjes van de natuur over te nemen en na te doen en zo gaandeweg zelf de leiding te nemen, de regie te nemen over de natuur. Sommige mensen leggen dit uit als de opdracht die God aan de mensen gaf in Genesis (1,28b): “28 Heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.” maar de vraag is of dat wel bedoeld wordt.

De Bijbel spreekt over de dood als over iets dat niet bij God hoort. Zolang de mens bij God hoort, heeft de dood geen macht over de mens. Als de mens gaat leunen op eigen kracht, eigen macht, eigen vernuft en zich zo bindt aan de aarde, dan krijgt de dood macht over de mens. Over dood en leven is veel over nagedacht. Wie kan zich een natuur voorstellen zonder de voortgang van leven en dood? Er zou geen evolutie zijn. Voortplanting is niet nodig. Ziekte heeft geen effect, want er is geen dood. Die gedachte past niet bij onze natuur. Dat wisten ook de schrijvers van de Bijbel en zeker de schrijvers van het Evangelie. Voor hen was het wel duidelijk dat de dood niet bij God hoort en dat als wij bij God horen, de dood ook niet over ons zal heersen, maar dat wij delen in het leven van God. De dood van het lichaam doet er dan niet meer toe. Dat sterven pijn doet zoals een nieuwe geboorte, dat sterven zwaar kan zijn voor ons lichaam, zoals een bevalling zwaar kan zijn, dat is duidelijk. Maar iemand die bij God hoort, gaat door dit sterven heen om te leven in en bij en door God.

Vandaag spreekt Ezechiël ook een profetenwoord: “Zo spreekt God de HEER:

“Ik ga uw graven openen; in massa’s zal Ik u uit uw graven wegvoeren en u brengen naar de grond van Israël. En wanneer Ik dan uw graven geopend heb

en u in massa’s zal hebben weggevoerd uit uw graven, zult gij weten dat Ik de HEER ben. Mijn geest zal Ik over u uitstorten en gij zult leven ...” Leven met God doen wij door de Geest, dat is waar Ezechiël ons op wijst. Die graven waar hij over spreekt, zijn niet de graven van de begraafplaats, maar de graven van deze wereld, de graven van mensen die ten ondergaan aan een maatschappij die alleen zoekt in wat de wereld biedt en niet het leven bij God zoeken. Die graven zijn niet ver weg, ook voor ons niet; het zijn ook de graven van egoïsme, van eigenbelang en ongeloof.

Paulus zegt het op zijn manier: “Als Christus in u is, blijft wel uw lichaam door de zonde (van de oude Adam) de dood gewijd, maar uw geest lééft, ...” Maar wat bedoelt Paulus dan als hij zegt: “Hij die Christus Jezus van de doden heeft doen opstaan, zal ook uw sterfelijk lichaam eenmaal levend maken door de kracht van zijn Geest, die in u verblijft.” Bedoelt hij dan alleen het leven voorbij de dood, of bedoelt hij ook dat de heilige Geest, de Geest van Vader en Zoon, hier en nu ons doet leven? Dit lichaam is onderworpen aan de wetten van de natuur, dit lichaam hoeft niet onder de macht te staan van de wereld. Dit lichaam kan net zozeer vrij worden om Gods wil te doen. Wanneer onze geest vrij wordt door Christus, door Gods genade, dan mogen wij de kracht vragen dat God niet alleen onze bedoelingen en verlangens zuivert en inspireert, maar dat dit ook doorwerkt in heel ons menselijk bestaan, in ons doen en laten; dat we de kracht krijgen het goede te willen en het goede te doen, naar de maat van Christus; ook ons lichaam mag delen in die vrijheid, heel de mens wordt verlost.

Jezus wekt Lazarus op uit de dood. Hij roept hem tevoorschijn. Jezus' Woord heeft de kracht om ons vrij te maken uit de macht van de dood, in welke vorm ook. Dat geldt voor zijn Woord en dat Geldt voor zijn sacrament: Wie mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt blijft in Mij en Ik in hem. Heel ons bestaan, als wij doen wat Hij zegt, mag doordrongen raken van zijn Geest, van zijn levenshouding en van zijn vrijheid. Op weg gaan naar Pasen is op weg gaan naar de verrijzenis. Die verrijzenis gebeurt iedere dag en elk uur van de dag. Die verrijzenis begint in onze verbondenheid met Hem. Alleen door Hem kunnen wij zo met de Vader verbonden zijn dat zijn Geest ons vervult, zodat de Geest ons tot leven brengt. Lazarus moest ooit weer sterven. Toch heeft de dood geen macht meer over hem. Lazarus is een voorbeeld voor ons, leven alsof we reeds eens gestorven zijn. Amen.