Wind, vuur, stem

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
Wind, vuur en stem: ‘God is onder de mensen'. Maar wat is de wind eigenlijk? Niemand weet vanwaar hij komt en waar hij heengaat. Het is een voorbijgaande vlaag goede wil, snel afgevoerd. Wat is nu vuur? Licht voor heel even, kortstondige warmte, uitdovend enthousiasme. En een stem, het spreken tegen de stilte in? Weerloos verklinkende woorden: gebundelde onmacht, spraakverwarring. Ach, het lijkt meer dan het is.

En toch, en toch. In de ijle bries hervond Elia zichzelf. In het brandende braambos lichtte voor Mozes de weg van zijn volk op. In de Thora, die moedertaal, sprak de Stem die richting wees: jullie kunnen het woord volbrengen. Wind, vuur en stem: 'God is dóende'. Ze tekenen God-in-beweging, haar beweegkracht in mensen. En dat is meer dan het lijkt.
God-in-beweging. We lezen Israëls geschiedenis. Het volk ontving wegen ten leven: de Thora, en het werd zichzelf: volk van bevrijding. En toen Israël vreemd ging, toen het goden schiep naar eigen beeld, toen het dood dreigde te lopen: toen vertolkten profeten Gods kritiek, en lieten armen en getrouwen Gods oorspronkelijke levenswil zien. Amos, Ezechiël, Jeremia, de moeder der Makkabeese broers, en zoveel anderen: zij spraken de Thora in hun eigen taal, en het volk leefde op.
God-in-beweging. We zien de geschiedenis van de kerk. Mensen ontvingen een weg ten leven - Jezus als de nieuwe Thora - en werden zichzelf: lichaam van de Messias. En toen dat li¬chaam verstarde - de beelden vragen hun offers, de goden moeten hun getal hebben - waren daar weer profeten die Jezus bevrijdden en gewone mensen die God aan het licht brachten. Tomas van Aquino, Teresia van Avila, Maarten Luther, tante Truus uit de Staatsliedenbuurt en duizenden anderen: vertalers van de ene Thora, dragers van de geschiedenis.

De Geest: levensadem in een dode wereld, golfslag van trouw in een zee van onrecht. Gloed van liefde, vreugdevuur, brandende tranen, vurig protest: vernieuwing van de schepping tegen alle doodsdrift in. Stem van waarheid die midden in een babbelwereld mensen teruggeeft aan elkaar; oud verhaal, nieuwe woorden.
De Geest van God waait, brandt, spreekt in mensen, voegt hen aaneen ter wille van Gods vredesvisioen, onthult hun eigenheid in Gods geheel. Geen joden en Grieken meer, maar trou-we en zelfbewuste ménsen. Geen slaven en vrijen meer, maar bevrijde en toegewijde ménsen. Geen vrouwen en mannen meer, maar aandachtige en krachtdadige ‘kinderen van God'.

Pinksteren was en is: het slotfeest. De vijftigste dag van Pasen, het einde van een rijpingsproces. Daarmee was en is Pinksteren ook: een nieuw begin. Mensen die bevrijd zijn zoeken hun vrijheid recht te doen, zoeken elkaar. Een vonk van liefde heeft hen in vuur en vlam gezet. ‘Ik zal er zijn' hebben ze gehoord en ‘vrede zij u': ze zullen er zijn, ze zullen vrede zijn en het aanschijn der aarde vernieuwen.
Het lijkt op een trouwerij: klinken op wat gegroeid is, diep ademhalen en verdergaan. Het vuur aanwakkeren, aanstekelijk worden, in beweging blijven. Elkaar verstaan, kunnen ver-geven. Zingen: tegen de dood, de kou, de stilte in. Elkaars hart openen: de Geest toelaten.

‘Jezus heeft de joodse gegevens geloof, liefde en bekering gevuld met een dynamische kracht' (David Flusser, in Tussen oorsprong en schisma). Zijn Geest: een nieuwe Thora.
‘Vrede zij u': een licht in de avond, een vreugdevuur sterker dan de angst, een warmte die naar buiten breekt. ‘Vrede zij u': de adem van leven, ons toegeblazen om dóór te geven. ‘Vrede zij u': zijn stem die de communicatie herstelt, die van leerlingen vrienden maakt. ‘Vrede zij u': Gods sjalom, in en door mensen, - en anders niet.

Een onaf verhaaltje: Het was avond in de kerk. In de sacristie deed het kopieerapparaat zijn werk, in het portaal werd het wiel opnieuw uitgevonden, in het middenschip staarden mensen nors voor zich uit. De organist kreeg geen wind in de pijpen. Opeens kwam Jezus binnen. Hij vroeg ons: ‘Zijn jullie bevrijd? Ik zie het niet'. Wij zeiden: ‘Wij zijn Hollanders, wij zijn zo moe'. Maar hij zei: ‘Jullie zijn mensen, jullie zijn bang. Neem aan, heilige Geest'. En hij blies het stof van ons hart en het eelt van onze ziel. Hij blies de deuren open. Wij keken elkaar aan; buiten was het dag.
‘Vergeving Heer', riepen wij. Hij zei: 'Vergeef elkaar'.