Hij zag en ging geloven (2008)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 121 niet laden
* De ontdekking van het lege graf vinden we eensluidend bij de vier evangelisten. De weggerolde steen wees erop dat er iets gebeurd was. Het graf was niet totaal leeg: daar lagen in een bepaalde structuur de doeken, waarin Jezus' lichaam was gewikkeld. Indien Jezus' lichaam gestolen was, zoals Maria Magdalena het ook eerst vreesde, en zoals de wachters het tegen betaling gingen vertellen (Mt 28,12-13), dan moesten met het lichaam ook de doeken verdwenen zijn.

* Paulus leert ons: "Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam verrijst" (1 Kor 15,44). Merkwaardig is hier hoe, in stappen en langzaamaan vanuit het zien, geloven is gegroeid.

 

1. De eerste ervaring leidde degeneN, die Jezus nabij waren, tot een ontwakend geloof.

 

De evangelist meldt eerst dat het in die vroege paasmorgen nog donker was. Het zal zeker nog schemerdonker geweest zijn. Maar als Johannes spreekt over duisternis of nacht, dan gaat het altijd ook over de symbolische betekenis van de duisternis: het buiten God zijn, het buiten het geloof zijn. Zo nam de duisternis het licht niet aan (1,5;12,46), en toen Judas het cenakel verliet was het nacht, vooral in zijn ziel (13,30). Die morgen sliep heel Jeruzalem in het geloofsduister.

- Merkwaardig in dit verhaal is de houding van Maria Magdalena. We mogen haar niet verwarren met Maria, de zuster van Lazarus. Haar eerste ervaring bij het lege graf is de afwezigheid van de lichamelijke Jezus. Tot tweemaal toe zal ze zoekend zeggen: "We weten niet waar ze Hem hebben neergelegd". Zij zocht het dode lichaam, gekoppeld aan de aardse ‘rabboni', met de herinneringen van weleer. "Wie zoekt gij ?" zal Jezus haar vragen. Bij het laatste avondmaal had Hij aan de leerlingen gezegd: "Gij zult Mij zoeken... Daar kunt gij niet komen" (13,33). Na haar boodschap aan Petrus en Johannes keert ze terug en blijft bij het graf. Zij wil daar niet wijken, ze voelt aan: er is hier iets meer aan de hand, maar tegelijk voelt ze zich gehecht aan de Jezus van het verleden. Dan verschijnt Jezus haar in een menselijke gedaante, die haar aan de tuinman doet denken. Ze wil Hem grijpen. Maar Jezus zegt dat zij voorbarig handelt. Hij moet nog opstijgen naar de Vader. Daar is zijn plaats. Het zal voortaan om de verheerlijkte 'Heer' gaan, wat zij nog niet vatten kan.

- Gelijklopend is de reactie van de twee leerlingen Petrus en Johannes, die op het zeggen van Maria Magdalena naar het graf waren gesneld. Johannes volgt Petrus in de grafspelonk. We lezen: "Hij zag en geloofde". Wat zag Hij ? De tekenen van Jezus' afwezigheid, de ineengezakte lijkwade zonder lichaam. Letterlijk: "Hij zag en kwam tot geloof (Gr. ‘eiden kai episteusen': inchoatieve aorist), want ze wisten nog niet wat daarover in de schrift stond, dat Hij van de doden moest opstaan". Johannes begint te vermoeden dat God hier aan het werk is geweest. Hij aanvaardt het mysterie doch zonder de inhoud te snappen. En we lezen dat, terwijl Maria Magdalena bij het graf blijft, zij terugkeren naar hun huis. Ze keren terug naar hun eigen situatie van vroeger, uit elkaar. Net zoals Jezus had gezegd op het laatste avondmaal (16,32): nog zonder het echte paasgeloof.

 

2. Er volgt echter een tweede fase, de fase van de echte herkenning van de verrezen Heer.

 

Toch zijn de leerlingen vlug weer samengekomen, eerst nog zonder Thomas, opgesloten in het cenakel uit vrees (20,19). Jezus is degene die per definitie ‘van boven' is (8,23). Hij komt binnen.

- De gesloten deuren hinderen Hem niet. Als verheerlijkte gaat Hij nu in hun midden staan. Dat is zijn plaats in de kerkgemeenschap. Hiermede lost Hij de belofte in, die Hij deed op het laatste avondmaal: "... Ik keer terug. Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer; gij echter zult Mij zien, want Ik leef en ook gij zult leven" (14,18-19). En daar maakt Jezus twee openbarende gebaren: (a) Hij toont hun de wonden van zijn passie (20,20). Hij verwijst hiermee naar de diepe zin van zijn lijden en sterven: tot redding van de wereld. (b) En Hij blaast over hen en schenkt hun de Geest. Dit gebaar wijst op een nieuwe schepping (Gen 2,7) die bij de leerlingen gebeurt. Ze worden herboren (3,3). In hen breekt nu ten volle het paasgeloof door. Ze worden gezonden voor de verkondiging en de vergeving der zonden: tot de werkelijke spirituele redding van de wereld.

- Daarna roepen ze uit: "Wij hebben de Heer (!) gezien (Gr. ‘heôrakamen': perfectum)" (20,25). Dat betekent: nu hebben we Hem gezien als Verrezene, die ons gezonden heeft. En dat blijven wij nu meedragen als een verworven genade die van ons niet meer wijken zal. Als Jezus de volgende week aan Thomas zegt: "Zalig die niet gezien maar geloofd hebben", betekent dit niet dat het geloven weg kan zonder het zien, maar dat Thomas en ook wij moeten geloven op het getuigenis van wie gezien hebben. Het zien van Jezus' tekenen immers heeft altijd bijzondere waarde gehad.

 

* Onze samenleving sluimert in het geloofsduister zoals Jeruzalem op die eerste paasmorgen. Het geloven is een groeiproces. Wonder hoe vandaag velen die het geloof oppervlakkig vanuit een uiterlijke gewoonte hebben gekend, nu afgehaakt zijn, terwijl anderen het geloof eerst niet echt kenden, en nu door Gods genade het geloof zuiverder ontdekken, en het op een authentieke wijze gaan beleven. Onze bisschoppen schreven ruim een jaar geleden een brochure: "Volwassen worden in geloof". Daarin spelen bewuste zending, getuigenis en gebed een onontbeerlijke rol.