De man van de achtste dag

 

Velen sympathiseren met de Thomas van Beloken Pasen. Wij willen geloven, maar moeten eerst zien. De Heer komt Thomas halen waar deze staat, namelijk bij diens twijfel.

Van Pasen tot Beloken Pasen was de apostelgemeenschap er een met twee snelheden, met twee vormen van geloof. Zij waren allen verbonden door de herinnering aan Jezus, door wat ze samen vanaf de Jordaan tot in Jeruzalem met Hem hadden beleefd. Maar op de paasavond is dit apostelcollege opgesplitst: de groep van Pasen en dan die enkeling die niet meekon of niet mee wou. Vanaf de achtste dag behoort Thomas helemaal bij de kring van de Paasgelovigen. Vanaf Beloken Pasen is die gemeenschap alweer één en nog veel hechter. Allen hebben dan de Verrezen Heer in hun midden gezien. De belijdenis van de achtste dag: “Mijn Heer en mijn God” is voortaan deze van de ganse groep en van alle (?) christenen. Thomas werd een Christusgetuige. Hij evangeliseerde, tot in India, waar christenen leven, die zich tot op vandaag Thomas–christenen noemen.

Gemeenschap met wonden

Thomas kwam tot geloof, nadat hij de wonden van de Heer mocht aanraken. Wij komen niet tot geloof omwille van de glitter en het goud in de kerk, maar we worden bevraagd door haar kwetsuren, opgelopen door inzet, alsook door haar fouten. Paus Franciscus stelde een sterk gebaar door zijn bezoek bij de bootvluchtelingen op het eiland Lampedusa. Het christendom verspreidde zich vlug in de eerste jaren omdat mensen in Efese, in Korinte, in Rome levendige gemeenschappen zagen, waarvan de Handelingen een model schetsen. Deze kleine kernen en christelijke gemeenschappen waren een vindplaats van gebed en dienstbaarheid. ‘Christen’, dit is de naam die ze in Antiochië kregen van buitenstanders. Sindsdien dragen wij de naam van een ander, deze van Christus.

Een flauwe, zwakke gemeenschap van christenen is een scherm dat de toegang tot de Heer verspert. De Franse wijsgeer en schrijver Jean-Paul Sartre verklaart in zijn boek Les mots dat hij van christelijke huize is en dat hij als kind open stond voor het religieuze. Maar hij kon zo moeilijk in de God die hem onderwezen werd, diegene erkennen naar wie zijn ziel verlangde: “Ik had een Schepper nodig en men gaf me een grote chef (un grand patron).” De goeie gemeente geloofde in God om niet over Hem te moeten spreken. De godsdienst leek verdraagzaam en gemakkelijk. De christen kon de mis verzuimen en zijn kinderen kerkelijk laten huwen. “Ik”, zo schrijft hij verder, “ben tot het ongeloof gebracht, niet door een conflict over de dogma’s, maar door de onverschilligheid van mijn grootouders” (J.P. Sartre, Les mots, p. 78-82).

Zijn woorden zijn een aanklacht tegen de burgerlijke verpakking van het christen zijn. Iets dergelijks is terug te vinden bij Madeleine Delbrêl (1904 —1964), die vaststelde dat in de christelijke wereld “een evidente mentaliteit in de plaats was gekomen van het geloof. Het lijkt erop dat iedereen in de wereld, ook zonder geloof, op God vertrouwt en dat men er christelijke meningen op nahoudt op grond van familiale, regionale of nationale loyaliteit.” Zij had haar eerste communie gedaan, maar noemde zich op 15 jarige leeftijd atheïst. Door een ontmoeting met christenen verandert zij haar leven en gaat terug bidden. Zij volgt een vorming in maatschappelijk werk en gaat in 1933 samen met twee vriendinnen in het door communisten bestuurde Ivry-sur-Seine wonen. Door haar werk en contacten in een niet-christelijke omgeving verdiept haar geloof. Zij schrijft in 1960: “Of we er ons van bewust zijn of niet, vandaag worden we omringd door onverschilligen of ongelovigen. We leven te midden van mensen, nu eens zijn ze met weinig, dan weer met velen, die opgehouden hebben te geloven, die nooit hebben geloofd of zelfs bestrijden wat wij geloven. Zij zijn onze naasten. Zij brengen ons in een missionaire dynamiek. Wij hebben die situatie niet gekozen. Ze is ons overkomen. Ons christelijk leven moet daarom worden wat het in feite is: apostolisch.” Deze teksten komen uit haar boek La joie de vivre.

Thomas blijft voor Jezus een naaste en een vriend. Hij gaat naar hem toe. M. Delbrêl schrijft dat de naaste ons zelf verandert: “Als onze naaste geen christen meer is, maar atheïst, onverschillig of agnost dan kunnen wij niet gelovig blijven zonder zelf te veranderen. We moeten zien dat hij onze naaste is en we moeten leren hoe we hem kunnen ontmoeten.”

We hebben te leven in de tijd waarin we leven. Dit vanuit het geloof dat Jezus ons niet alleen laat. In de tijd, maar vanuit God. Dit was het onderwerp van een bezinning van Piet Raes (CCV-Gent) bij een priesterontmoeting in de Oude Abdij Drongen. Hij gaf dit citaat mee van Madeleine Delbrêl: “Het geloof is als een voorbijgangster. Geen enkele tijd is ongevoelig voor haar. Zij is nooit ongevoelig voor elke tijd. Het geloof is er voor de tijd. Het is bestemd voor elke tijd. En als een tijd er ongevoelig voor lijkt, dan is het omdat de tijd ongevoelig is voor ons, wij die de resten van een vroegere tijd met ons meedragen, een tijd die in tegenspraak is met de tijd, die we nu moeten leven.”

Nog dit citaat: “Waar ook vandaag de wereld mij met mezelf achterlaat, niets kan mij tegenhouden bij God te zijn. Een kind dat door zijn moeder op de arm gedragen wordt, verwijdert zich niet van haar als zij zich onder de mensen begeeft.” Sinds de achtste dag is Thomas daarvan overtuigd en groeit hij verder in geloof.